is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang, 5 mM breed, lijnvormig-Iangwerpig, niet gesteeld, schuin geaderd, onbehaard of behaard, bij rijpheid zwart (fig. 833). De zaden zijn bolrond, glad, bruin gemarmerd. Zij hebben een navel die van den zaadomtrek inneemt. 3-12 dM. 2J.. Juni, Juli.

Zoowel door de bladen als door de bloeiwijze, is deze plant gemakkelijk van de Lotussoorten te onderscheiden, waarmede zij in de kleur der bloemen overeenkomt.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloemen komt grootendeels met die bij Pisum overeen.

De verbinding der zwaarden en der kiel met de zuil der meeldraden heeft

plaats door 2 lange, blaasachtig opgezwollen, naar achteren gerichte uitsteeksels (fig. 834, d) der zwaarden, die zich op de zuil der meeldraden leggen en elkaar daar in het midden met hunne toppen aanraken. Door hunne elasticiteit bewerken zij ook, dat na het ophouden der drukking de kiel in haar vroegeren stand terugkeert. Aan den top van de kiel bevindt zich aan weerszijden een uitpuiling p, die van de vrije randen er van door een vrij diepe plooi (bij a, 2) gescheiden is en alleen aan den top van de kiel een uitgang bezit. Deze uitpuiling omsluit in den knoptoestand alle helmknopjes, die bij het begin van den bloei openspringen. Aan den top van den bijna loodrecht opstijgenden stijl zit de eironde stempel; onder dezen verbreedt zich de stijl tot een langwerpig-eironde, aan de binnenzijde geheel met korte, schuin naar boven gerichte haren bezette plaat, die het stuifmeel, dat uit de knopjes er op is uitgestort, uit den top van de kiel (bii m) de bezoekende bii teeen de

onderzijde van het lichaam strijkt. Dit wordt bij een bezoek in de volgende bloem op den stempel, die het eerst er uit komt, gebracht en zoodoende kruisbestuiving bewerkt.

Al is hier de stempel door eigen stuifmeel omhuld, zoo heeft dit toch waarschijnlijk geen spontane zelfbestuiving ten gevolge, daar het schijnt, dat de stempelpapillen eerst door bezoekende bijen stuk gewreven moeten worden, voor zij geschikt zijn om bestoven te worden.

Het zijn vooral bijen, die in de bloemen komen, om de bestuiving te bewerken. Vlinders komen ook wel honig zuigen, maar brengen het bloemmechanisme niet in beweging.

Volksnamen. Behalve de naam gele wikke, die veel gebruikt wordt, gebruikt men in Groningen de namen geelerwtjes, gele linze, gele schaapserwtjes en gele zwijnetongetjes. In Friesland spreekt men van hennetjes, op Vlieland, bij Steenwijk en in West-Friesland van schoentjes en muiltjes en in het Land van Hulst van gele vitsen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in heggen, weiden, bosschen, langs bouwland en wegen in geheel Europa voor en is bij ons algemeen, doch niet op zandgrond.

Lathyrus pratensis Fig. 834.

1 linker zwaard van de binnenzijde gezien, 2 knop, kort voor het opengaan, van ter zijde gezien, na verwijdering van kelk, vlag en zwaarden, 3 stijl van ter zijde met stijlborstel en stempel.

a zwakke plooi aan de zwaarden, die in een diepere a (2) van de kiel passen, b naar voren en beneden gerichte opzwelling van den vleugelrand, die zich klemt in het nauwste deel van een zakachtige verdieping van de kiel, <• een dwarsindruk in het zwaard, waarin een scherpkantige knobbel der vlag sluit, e nagel van een zwaard, ƒ omgebogen rand, ft bovenste meeldraad , i de vergroeide meeldraden. k toegang tot den honig. Zie de andere letters in den tekst.