Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bloemen zijn zittend en zijn tot hoofdjes opeengehoopt in de oksels der takken. zij zijn geelgroen en 2-huizig, De mannelijke bloemen (fig. 853) bestaan uit een 4-spletig, lederachtig, geei bloemdek met eironde slippen.

A linltT)l/nr>na/\n 1 „ ' _ _l _ I I

lsk, t iicniiiMiujjjcö l\\\\ liiN^werpi^, op ue Dioemdekslippen vastgegroeid en springen met vele gaten open. De vrouwelijke bloemen (fig. 853) hebben een zeer korten, onduidelijken, 4-tandigen kelk en 4 bleekgele, eironde, spoedig afvallende, iets vleezige bloemkroonblaadjes, terwijl verder het vruchtbeginsel een zittenden, korten stempel draagt. De vrucht is een witte, glanzige, bolronde, eenzadige bes met taai, slijmerig vleesch (fig. 853). Het zaad is driehoekig, h 2-5 dM. Bloeitijd Maart—Mei, de vrucht is rijp Augustus— November.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloemen met het oog op de bestuiving is de

volgende. De mannelijke bloemen hebben 3-4 mM lange bloemdekslippen, de met deze vergroeide helmknopjes bevatten wel 40-50 kamertjes, waarin het stuifmeel zit. Zij krijgen vele openingen; het met fijne korte stekels bezette stuifmeel komt daardoor naar buiten. De inwendige uitholling van den voet van het bloemdek is met een honig afscheidend weefsel overtrokken. De bloemen rieken vrij sterk naar oranjebloesem en worden door vroeg uitvliegende bijen en hommels bezocht, die vooral door den geur gelokt worden.

De vrouwelijke bloemen zijn veel kleiner dan de mannelijke, de bloemkroonblaadjes zijn slechts I mM lang en zijn naar binnen gebogen naar den dikken ronden stempel. Ook hier bevindt zich een honig afscheidenden ring tusschen den voet van de bloemkroon en den halsvormig ingesnoerden voet van den stempel. Die bloemen rieken minder sterk en de insecten moeten hun slurf tusschen de bloemkroonblaadjes en den stempelkop doorschuiven. Zij zullen dus allicht, als zij uit mannelijke bloemen komen kruisbestuiving bewerken.

De maretakken behooren tot de parasieten. Zij leven op loof- en naaldhout, vooral op boomen, wier takken een weeke, saprijke schors bezitten, in liet bijzonder als het kurkweefsel daarvan dun en teer is. Vooral op de zilverspar, de appel- en pereboomen en de populieren (in het bijzonder Populus nigra) komen zij voor. Zij vormen soms wel op de takken bosschen van 4 M omvang, terwijl de dikte van den stam soms tot 50 cM gaat.

De maretakken zijn niet zoo geheel op parasiteeren aangewezen, als b.v. de bremraap en het warkruid, omdat de plant ook in staat is door middel harer groengele bladen te assimileeren (zelfs ook door de groengele schors der takken) en zij neemt dan ook uit de lucht wel voedsel op. Doch zeker is het, dat zij althans het voedsel, dat andere planten uit den bodem opnemen, door hare zuigwortels uit de boomen halen, waarop zij leven. Zij schaden deze echter niet bijzonder sterk

Het vocht, dat zij opnemen, bevat natuurlijk ook de noodige zouten en terwijl een gewone plant uit den bodem slechts een zeer verdunde zoutoplossing haalt en in de verdamping van water een middel heeft, om een voldoende hoeveelheid zouten op te trekken, is dat bij Viscum niet noodig.

/iscum alcum

Fig. 853.

Sluiten