Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T. atricollis, Vieill. = id., Cab. in Schomb. Reis.

$ Knevel vlekken, kaken en keel donker zwart; overig gedeelte v. d. kop, borst, nekzijden, rug en stuit brons-groen, min of meer blauwachtig aan de dekv. bov. d. st. ; borstband min of meer onduidelijk witachtig of geheel ontbrekende ; overige ond.d. helder geel of oranjegeel; dijen zwart; slagp. v. d. isten en v. d. 2den rang zwart met witte basis, de slagp. v. d. isten rang met witte zoomen — de slagp. v. d. 2<len rang gevlekt, gestreept enz. aan de buitenvlag ; groote dekv. der eerste slagp. zwart, de overige dekv. zwart met wit gevlekt, gestreept enz.; middelste paar staartp. groen met een bronsachtig blauwen glans, het tweede en derde paar hetzelfde, maar de binnenvlag zwart; de drie buitenste paren zwart aan het basisgedeelte doch met een witten band aan het uiteinde, het overige gedeelte met zwarte en witte dwarsbanden van gelijke breedte ; snavel geelachtig zwart. 9 Kop, rug, stuit, dekv. bov. d. st., keel en een gedeelte der borst bruin, min of meer roodbruin aan den kop ; een onduidelijke witachtige borstband overgaande in geel aan de overige ond.d. ; eerste en tweede slagpennen zwart met witte basis, die v. d. isten rang met witte zoomen aan de buitenvlag, die v. d. 2den

rang met de geheele buitenvlag bruin en zwart gevlekt, gestreept enz.; groote dekv. der eerste slagp. zwart, bruingerand aan de buitenvlag ; overige vl. dekv. licht bruin met zwarte vlekjes, streepjes enz.; middelste staartp. roodbruin met een zwarten endband, het tweede en derde paar hetzelfde maar de binnenvlag zwart, de drie buitenste paren als bij het mannetje, maar met breeder witte en smaller zwarte dwarsstrepen. Jong Ongeveer als het wijfje, doch de bov. d. min of meer als bij het mannetje. L. 26, vl. 12, st. 15, tars. 1.5. Geogr. dist. Van af Nicaragua tot Rio Grande do Sul. Lok. dist. De binnenlanden.

„Ook Groen-borst Trogons of Kleine Geelbuik Trogons, eng. Green-breasted Trogons, fr. Trogons a poitrine verte, komen

niet in de lagere zwampachtige streken voor, doch worden talrijker in de hoogere alluviale terreinen aangetroffen. De wijfjes verschillen opmerkelijk van de mannetjes; zij hebben nl. bruine in plaats van glanzend groene ruggen en staarten.

In levenswijze verschillen G. T. niet van de volgende soort. Even¬

zoo nestelen ze meestal in holen in k°p van Trogon atrfcoUü. houtluizennesten; het wijfje legt 2 witte eieren.

Sluiten