Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CERYLE.

zijn stijf; de bruine kleur der onderdeelen wordt gevormd door de uiterste randen der vederen en ziet er dan ook altijd min of meer vlekkerig uit. Het vederkleed bij levende individuen is steeds met eene opmerkelijke olielaag overdekt, die het nat worden der vederen belet.

In de kolonie staan G. K. bekend als Biegi-Visiman, d. w. z. Groote Visschers, bij de Arowakken als Sakasakasie, bij de Caraïben als Saka saka en bij de Warrau's Hapitataka.

Men treft G. K. bijna uitsluitend aan in waterrijke streken, vooral langs de oevers van rivieren en kreken. Gewoonlijk zitten ze op een boomtronk of tak langs den oever of vliegen, evenals Vischarenden over de wateroppervlakte, om eensklaps met een vaart naar omlaag te schieten, onder water te duiken, een visch te bemachtigen en dan weder naar een tak in de nabijheid te vliegen, waar de prooi wordt opgeslokt. Dikwijls is die echter zoo groot, dat de vogel geruimen tijd zijn uiterste krachten moet inspannen. Ook reptielen worden niet door den G. K. versmaad. Ik vond eens in de maag van een dezer vogels twee padden, elk ter grootte van een citroen en die samen de geheele maag vulden; nog is het mij onbegrijpelijk, hoe de vogel, ondanks zijne breede bekopening, in staat was, die amphibiën in te slikken.

De G. K. behoort tot de schuwste onzer Landvogels; reeds op honderden meters afstand van een naderenden persoon of boot neemt hij de vlucht en vliegt recht vooruit een eindje verder naar een boom toe, waar hij met langgerekten hals en op en nedergaanden staart, het komende afwacht. Bij het opvaren van eene kreek kan men dit spelletje van den G. K. dikwijls wel een half uur lang waarnemen; ten laatste echter maakt de vogel rechtsomkeert en vliegt over de hoofden der naderenden weg. Zoowel het op- als overvliegen gaat steeds vergezeld van een luid, krassend geluid als „sêkê, sêke, sêkê", ook des nachts kan men den G. K. meermalen hooren.

Na den broedtijd en onder het voeden leven G. K. steeds eenzaam of bij paren, maar gedurende het broedseizoen, vooral den grooten regentijd, vereenigen de individuen zich tot koloniën. In de keuze hunner nestplaatsen zijn ze uiterst beperkt, daar

Sluiten