Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N. a. broedt gedurende de droge seizoenen, vooral het groote droge seizoen. Het wijfje legt doorgaans slechts één enkel ei op den blooten grond, bij voorkeur rooden zandgrond, of tusschen droge bladeren. Vooral cacao velden behooren onder de meest gezochte nestplaatsen. Onder het broeden drukken de W. N. zich plat tegen den grond aan en gelijken dan zoo zeer op de omgeving, dat het ten naastenbij onmogelijk is ze te onderscheiden. Nadert men evenwel te dicht, dan vliegen W. N. onhoorbaar op en weten doorgaans een droog blad zoo behendig over het ei te werpen, dat, alleen door de juiste plaats te bepalen waar de vogel zat, men in staat is het ei te vinden.

W. N. kunnen ook, dank zij hun wijden bek, zoowel hun ei als jong opnemen en elders in veiligheid brengen. Dit is denkelijk de hoofdreden, waarom Boeta-boeta's, ondanks het feit, dat deze vogels op den grond nestelen en slechts zelden meer dan één ei leggen, in tegenstelling met de meeste andere op dezelfde plaatsen nestelende species, toch hunne soort staande houden.

De eieren der W. N. zijn elliptisch, licht glanzend roseachtig of roomkleurig, met wolkachtige vlekken, soms lijnen, rosebruin en purpergrijs, min of meer over de geheele oppervlakte der schaal verspreid. M. afm. 30 X 22 m.M.

De exemplaren varieeren uitermate in afmeting. Ik heb exemplaren gezien, die grooter waren dan de eieren der noordelijke subspecies N. a. merrilli. Bij enkelen vormen de vlekken een krans om het grootste end der schaal, die er dan ook min of meer ovaal uitziet.

HYDROPSALIS, WAQL.

H. schomburgki, Scl. = H. furcifer, Cab. in Schomb. Kris. ?

-ƒ Bov.d. gevlekt enz., zwartachtig, grijsachtig roodbruin en zwart; langs bovenkop, rug en stuit eenige zwarte lengtevlekken evenals aan de kruin; schoudervederen met groote, driekantige zwarte middenvlekken en breede geelachtige randen aan de buitenvlag; slagp. v. d. islcn rang zwartbruin met een tamelijk breeden witten

Sluiten