Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tak werd vastgehecht. Door heen en weder woelen en draaien verkreeg het nestmateriaal eene komvormige gedaante, van binnen echter geheel vrij van spinnewebben, waarna het diertje tot de versiering overging, hetgeen geschiedde door veel spinrag, vermengd met speeksel, tegen de buitenwanden te pleisteren, waartegen ook stukjes boombast, fungi, mos enz. gebracht werden. De „finishing touch" bestond in het gradueel doen wegvloeien van het materiaal met den tak, zoodat het nest van onder gezien veel op een knoest geleek. Al en al duurde het bouwen ongeveer veertien dagen.

Het gradueel wegvloeien der nestjes met den tak waaraan ze gehecht zijn, geschiedt door middel van spinrag met speeksel bepleisterd, doch zonder mos of fungi. Gewoonlijk is de wegvloeiing het zachtst en het langst naar den kant van de takbasis, waar zich de wegvloeiing soms twee en meer decimeters van het nest af voortzet. Voltooide kolibrienestjes zien er hierdoor zeer artistiek uit, vooral aan den levenden tak met de groene fungi en mosversiering nog in verschen staat en netjes en glad tegen de nestwanden aan liggende. Wij zeggen „versiering", maar het is de vraag of dit werkelijk de bedoeling der K. is bij het bepleisteren van hunne nestjes, daar de meerdere hoeveelheid spinrag naar den kant van de takbasis slechts een extra voorbehoedmiddel kan zijn tegen mieren. Toch heb ik meermalen nestjes aangetroffen werkelijk versierd met glinsterende of gekleurde vederen tusschen de fungi en mosdecoratie in.

Alle K. leggen 2 glanslooze witte, doorgaans lang elliptische, cylindrische, aan beide enden even stompe eieren, hoewel de eieren der allergrootste soorten dikwijls die der kleinere Gierzwaluwen gelijken. Toch heb ik meermalen nestjes gezien met één ei of drie eieren er in. Yersch bezitten de eieren eene geelachtige tint tengevolge der door de schalen heenschijnende dooiers. Bebroed zien ze er zwartachtig uit door het zich van binnen vormend embryo. Het eiwit is opmerkelijk dik, de dooier is geel van kleur.

„De uitbroeding geschiedt bij dag, meerendeels door de warmte der zon, daar de K. hare nestjes dikwijls verlaten,

Sluiten