is toegevoegd aan uw favorieten.

De vogels van Guyana (Suriname, Cayenne en Demerara)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOPHORNIS.

pronken. Het is echter bepaald zeldzaam een individu aan te treffen met volledige, onbeschadigde straalvederen, daar de vogeltjes elkander met de meeste woede bevechten en, te oordeelen naar den afgerafelden staat der vederen, elkander van deze versierselen trachten te berooven.

De pootjes der S. K. zijn zoo uiterst klein, dat ze slechts op de allerdunste twijgjes zitten en van daar hun zwak pieperig gezang laten hooren onder het voortdurend reinigen hunner vederen. Hunne rechtstreeksche vlucht geschiedt bliksemsnel.

L. o. broedt vooral tegen het begin van het groote droge seizoen. Het wijfje bouwt een peperhuisvormig nestje van boschkatoen en dunne sprietjes met spinrag tegen een tak of blad bevestigd. De uitholling, waarin de eitjes liggen, is niet grooter dan een vingerhoed en de 2 eitjes zelve gelijken op groote rijstkorrels. M. afrn. 10 X ö m.M.

L. pavoninus. Salv. et Godm.

-j' Bov.d. glanzend groen, stuitband smal, geelachtig wit; dekv. bov. d. st. purperbrons; kruin schitterend groen met eene zwarte middenlijn; keel zwart; verlengde breede vederen, aan de keelzijden glanzend groen met ronde zwarte vlekken nabij de uiteinden, doch de bovenste vederen hebben eene kastanjebruine basis en eene vierkante witte vlek; borst en abdomen groen met zwarte randen aan de fiankvederen; onderbuik en crissum groenachtig zwart; staart glanzend bronsgroen; snavel zwart. $ Kruinvederen donker glanzend groen met zwarte randen; keelvederen geelachtig wit met zwarte zijranden; middenbuik grijsachtig, flanken groen getint; middelste staartp. glanzend groen, basis der overigen groenachtig, de tippen echter geelachtig en met een donkeren band nabij de uiteinden. L. 8.8, vl. 4.5, st. 3, sn. 1.5. Geogr. dist. Guiana. Lok. dist. Het binnenland.

„Zwartkcel Straal-Kolibrietjes, eng, 1'ilack-throated Coquettes, fr. Coquettes a gorge noire, hebben grootendeels breede, glanzend groene, zwartgetipte, verlengde vederen aan de keelzijden, alsmede zwarte kelen. Men treft ze veel zeldzamer aan dan de voorgaande soort en zelden of nooit in de lagere streken.