Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RUPICOLA.

wouden van het binnenland aangetroffen en nadert zelden of nooit de kust. Bij de Warrau's staat hij bekend als 1 sararia, bij de Arowakken als Hiekieliekanl, bij de ( araïben als Watoja en bij de gouddelvers enz. als Faja-fowroe, d. w. z. \ uurvogel. Zijn geluid klinkt als een meermalen herhaald kwet-kwet.

RUPICOLA, BRISS.

R. crocea, L. = id., Cab. in Schotnb. Reis.

j Schitterend oranjerood: vleugels bruin met een witten band; randen en breede tippen der slagp. v. d. 2detl rang licht oranjekleurig; buitenvlag der bovenste slagp. verlengd tot filamenten; staartp. zwartachtig bruin met licht oranjekleurige tippen; snavel oranjerood met geel uiteinde; pooten oranjerood en geel; iris oranjerood. O Donker olijfbruin; stuit, staart, buik en dekv. ond. d. st. oranjebruin van tint of gevlekt met oranjebruin. L. 27.5, v'- 1 ~■ 5» st- 9 3' Geogr. dist. De Guianas en de Beneden-Amazone. I.ck. dist. De bergstreken.

„Evenals bij de Vuur-Kotinga's valt ook bij den Rotshaan, eng. Cock of the Rock, fr. Rupicole of Coq de Roche, een

abnormale slagpen op te merken ; het uiteinde van de eerste slagpen til. bestaat voor een gedeelte slechts uit de naakte schacht. Tevens zijn de pooten zeer krachtig en de tarsi gedeeltelijk bevederd.

„De R. behoort tot een der prachtigste vogels van de geheele wereld. In grootte evenaart hij een huisduif, doch zijn vederkleed is prachtig donker oranjerood met donsachtige verlengde baardjes aan een gedeelte der vleugelvederen, terwijl eene prachtige, dubbele,

staande kuif den bovenkop versiert. De wijfjes en jonge mannetjes zien er heel anders uit. Eigenaardig zijn vooral mannetjes

Kop van Kupicola crocea.

Sluiten