Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHIROX1PHIA.

langere staarten dan de typische Pipras. Het mannetje wordt tevens gekenmerkt door dikke schachten en spitse enden aan

de slagpennen van den eersten rang, alsmede een zwart vederkleed met blauwen rugcn scharlakenroodekuif.

„Over het algemeen leven B. bij paren of eenzaam, bij voorkeur in het lage struikgewas der hoogere alluviale terreinen en slechts zelden in de lagere zwampachtige streken. Hun voedsel bestaat uit vruchtjes

en insecten. Bij de Indianen staat B. bekend als Pononolie.

C. p. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Volgens Schomburgk wordt het uit mos, katoen enz. samengestelde nest in struiken gebouwd. De 2 eieren komen nogal overeen met die van Pipra aurcola.

Kop van Chiroxiphia pareola.

C. caudata, Shaw. = C. longicauda, Cab. in Schomb. Reis.

cj, Bov.d. blauw; vleugels, acliternek en kopzijden zwart; bovenkop helder scharlakenrood; staart zwart, de twee middelste rectrices verlengd en blauwachtig van kleur; ond.d. blauw; keel zwart; snavel en pooten hoornkleurig. § Groen, ond.d. helderder van tint. L. 15» vl. 7-8, st. 6.3. Gcogr. dist. De Guiana's, Brazilië, Paraguay en N. Argentinie. Lok. dist. Het binnenland.

„Evenals de voorgaande soort hebben de I-angstaart Blauwmanteltjes, eng. Longtailed Manakins, fr. Manakins a queue longue, dikke rechte slagpennen van den eersten rang, maar hunne kleur verschilt nogal. De onderdeelen zijn nl. blauw en alleen de keel zwart, terwijl twee lange blauwachtige vederen het midden van den staart versieren.

In de kolonie behooren L. B. tot de allerzeldzaamste soorten, die uitsluitend in het binnenland voorkomen, maar verschillen overigens in levenswijze enz. niet van de andere Pipras. Ook het nestje zou overeenkomen met dat van P. aurcola. De twee eieren worden beschreven als geelachtig grijs met violette en wolkachtig zwarte en grauwbruine, meestal lengtevlekken,

13

Sluiten