Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCLERURUS.

L. 17, vl. 9.3, st. 6.8. Geogr. dist. De Guiana's en de beneden-Amazone. Lok. dist. Zeldzaam in de lagere streken.

„Het Witkeel-Bladdraaiertje, eng. White-throated l.eaf-turner, is grooter dan de voorgaande soort en bezit tevens een witter keel. In de intermangrove terreinen ziet men hem zelden. Evenals de voorgaande species bestaat zijn voedsel uit insecten, die hij al loopende over den grond en door het omkeeren van bladeren bemachtigt Over zijne voortteling is mij niets bekend, toch andere soorten uit Brazilië leggen witte, glanslooze eieren.

Subfam. der DENDROCOLAPTINCE.

„De Eigenlijke of Typische Boomklimmers onderscheiden zich van al de voorgaande soorten door dikke, stijve, aan de uiteinden doornachtige, naakte, schachten aan de staartpennen. De pooten zijn over het algemeen kort maar krachtig, de teenen tevens lang en van scherpe klauwen voorzien. De snavel, die uitermate varieert, is bij de meeste species even krachtig als bij de spechten, doch de twee schedelspieren en de rekbare tong ontbreken.

Ook wat levenswijze aangaat, gelijken de E. B. veel op spechten. Alle klimmen, met behulp hunner doornachtige staarten spiraalsgewijze tegen boomstammen op, waartegen ze ook met hunne snavels kloppen, ten einde de insecten uit den bast te jagen. Vele der soorten, zooals Glyphorhynchus, Dendrornis Dendrocincla, Dcndrocolaptcs enz. volgen ook meermalen de troepen vogels, die gezamenlijk door de wouden trekken.

Voor zoover bekend, nestelen de E. B. in verlaten spechtenholen, holle boomen of tusschen de bladeren van orchideeën en palmen. De 2, zelden 3, eieren zijn eenigszins glanzend wit van kleur.

Onze B. staan in de kolonie bekend als Timmerman, evenals Spechten. Bij de Indianen heeten ze echter Soewa-soewa of Alasai.

Sluiten