Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien ze er dan uit als harige ballen, waaruit allerlei schrille geluiden opstijgen.

T. d. broedt min of meer het geheele jaar door, doch in meerdere mate gedurende de latere maanden. Het nest en de 2, zelden 3, eieren gelijken op die van T. cirrliatus, doch zijn eenigszins grooter. Ook hebben de eieren eene donkerpurpere tint over de bevlekking. M. afm. 24 X '8 m.M.

DYSITHAMNUS, CAB.

D. ardesiacus, Scl. et Salv.

(ƒ' Bov.d. loodgrijs; vleugels en staartp. zwartachtig met smalle, loodgrijze randen ; staartp. met zeer smalle, witte tippen ; ond.d. lichter van tint; keel zwartachtig ; dekv. ond. d. vl. loodgrijs; bovensnavel zwartachtig, ondersnavel lichter grijsachtig ; pooten leigrijs ; irisbruin. § Bov.d. bruin, vleugels en staart roodachtig bruin; ond.d. okergeel; keel licht grijs. L. 12.5, vl. 7.5, st. 4.5. Geogr. dist. De Guiana's, het dalgebied der Amazone, Venezuela en O. Ecuador. Lok. dist. Zeldzamer in de lagere streken.

„De Zwartkeel Mierensperwer, eng. Black-throated Gray Ant-shrike, fr. Fourmilier gris a gorge noire, onderscheidt zich evenals de volgende 3 soorten, door een over het algemeen zwakkeren (doch toch opmerkelijk sperwerachtigen) snavel dan de meeste der overige Thamnophili. Ook de staart is doorgaans korter. Hij behoort tot de subsoort D. a. saturninus, Pclz.

De Z. M. komt zelden in de lagere intermangrove terreinen voor, veel talrijker daarentegen in het binnenland. Overigens verschilt hij in levenswijze niet van T. doliatus. Ook het nest komt overeen. De 2 eieren zijn echter wit of roseachtig wit, met een krans van roodbruine en violetkleurige vlekken om het stompe end der schaal. AI. afm. 23 X !6.5 m.M.

D. schistaceus. d'Orb.

Bov.d. over het algemeen licht grijs, kop min of meer zwartachtig ; ond.d. lichter van tint, vooral de keel en middenbuik ; dekv. ond. d. vl. wit; snavel en pooten loodgrijs. § Bov.d. bruin, vleugels en staart donkerder; bovenkop rood-

Sluiten