Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemakkelijk, want de mieren hebben een uiterst taai leven en bijten uiterst vinnig. Het vogeltje spant dan ook zijne beste krachten in, en dit is, naar mijne meening, de reden van het ontstaan der lange kuif- en keelvederen, die bij beide seksen

bijna even ontwikkeld zijn.

Soms gebeurt het, dat een M., al springende tusschen het mierenleger, één oogenblik te lang op eene plaats vertoeft. In een oogwenk is dan zijn lot beslist, want de Piengo-mieren kennen geen genade, zoodat er van het vogeltje na enkele minuten niets meer te bespeuren valt. Ook bij het verzamelen van exemplaren gebeurt het meermalen, dat een gewond vogeltje tusschen de mieren valt, om dan in enkele oogenblikken in hunne magen te verdwijnen.

Bij de Arowakken staat het M. bekend als Dolotjielielie en bij de Caraïben als Tanakakajoemoe. Maar niemand schijnt iets van de voortteling af te weten. Ie oordeelen echter naar de voortplantingsorganen, broedt I'. a. gedurende de droge seizoenen.

gymnopithys, bonap.

G. rufigula, Bodd. = Peiit mcrle brun ii gorge ronsse, Danb. = Pilhys pcctoralis, Cab. in Sc/iornb. Reis.

„ Bovd amberbruin; rugvlek wit; voorgedeelte der vleugels en staart roodbruinachtig; ond.d. licht roseachtig bruin; kopzijden en kin kastanjebruin; flanken en crissum grijsachtig of zwartachtig; snavel zwartachtig, basis v. d. ondersnavel lichter, grijsachtig; pooten lilawit; oogomtrek blauwachtig wit; iris bruin. 9 Ongeveer hetzelfde, doch de rugvlek licht bruinachtig geel. L. 13, vl. 8, staart 5. Geogr.dist. Venezuela, de Guiana's en de Beneden-Amazone. Lok. dist. Vooral het binnenland.

„I)e Naaktoog Mierenvogel, eng. Rufous-throated Ant-thrush, fr Fourmilier a gorge rousse, is verwant aan de voorgaande soort, doch onderscheidt zich door een onbevederden oogomtrek. De pooten zijn lang en lilawit van kleur.

Langs de kust komen N. M. slechts bij uitzondering voor, maar in het binnenland behooren ze tot de gewoonste soorten,

Sluiten