Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F. nigrifrons, Gould.

Ad. Ongeveer als de voorgaande soort, doch de voorkop zwart. Geogr. dist. Venezuela, de Guiana's, het dalgebied der Amazone, Ecuador en Columbia.

„De Zwartfront Mieren vogel, eng. Black-fronted Ant-bird, verschilt slechts van de voorgaande soort door zwarte vederen aan den voorkop. In de kolonie komt hij zeldzamer voor, hetgeen evenwel in Demerara niet het geval is.

F. tamiesoni, sp. nov.

Ad. Bov.d. olijfbruin; geheele bovenkop van af front tot achternek en lora donker roodbruin; middenkop zwartachtig; kopzijden achter de oogen tot aan de borst zwartachtig, overgaande in bruinachtig grijs aan de flanken en grijs aan den middenbuik; geheele keel en kaken kaneelbruin, de kaakvederen met zeer kleine, zwartachtige randjes, die aan de keel ten naastenbij ontbreken; vleugelbuiging van dezelfde kleur als de keel; dekv. ond. d. vl. zwartachtig; een geelbruine basisband onder aan de slagp.; snavel zwart; pooten bruin. L. 15, vl. 8.5, st. 5, culm. 1.5. Geogr. dist. Eng. Guiana.

Het boven beschreven exemplaar van Tamieson's Mierenvogels, eng. Tamieson's Ant-shrike, verschilt van alle andere soorten door eene duidelijk lichtbruine keel, maar komt overigens overeen met F. colma. Het huidje is in het bezit van den Heer Tamieson te Demerara.

F. crissalis, Cab. = Myiothcra attalis, Cab. in Schomb. Reis.

Ad. Bov.d. olijf bruin, kop iets donkerder, stuit helderder; lora zwart met eene witte vlek; nekzijden licht bruinachtig geel; enden der staartp. zwartachtig; ond.d. grijs; keel en hals zwart; middenbuik lichter van tint; dekv. ond. d. st. roestrood; een breede, licht bruinachtige band onderaan de binnenvlag der slagp.; snavel zwart; pooten lichtbruin. L. 17.5, vl. 8.8, st. 5.3. Geogr. dist. Venezuela, de Guiana's en de Beneden-Amazone. Lok. dist. Het binnenland.

„Evenals de voorgaande 3 soorten worden Zwartkeel Mierenvogels, eng. Black-throated Ant-birds, kenbaar aan hunne bruinachtige nekzijden en roestrooden crissum, slechts in het binnenland aangetroffen, waar ze hun voedsel, vooral mieren, zoowel in het struikgewas als op den grond, bemachtigen.

Sluiten