Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Subfam. der GRALLARIIN^E.

grond-mierenvogels.

„Deze onderfamilie omvat de Mierenvogels met zeer lange pooten, uiterst korte staarten en een zacht, los vederkleed, waarvan de lange vederen aan den buik tot over het uiteinde der staartpennen reiken. Alle gelijken wel wat op kuikens of kleine Waterhoenders, en staan dan ook in de kolonie bekend als Ston-Anamoen, d. w. z. Steen-Tinainoes. De Indianen noemen ze Tololo. Alle bewonen den grond en voeden zich met mieren. Over hunne voortteling is mij niets bekend, maar andere typische soorten uit Columbia leggen bijna ronde, groenachtige of blauwachtige eieren.

Genera.

A Staart veel langer clan de tarsus.

CHAM/EZA, VIG.

B. Staart korter dan de tarsus of slechts iets langer.

„Grooter en krachtiger; vleugel langer dan 3 c.M.

. . . GRALLARIA, VIEILL.

„Kleiner, zwakker vormen; vleugel korter dan 3 c.M.

. grallaricula, scl.

Species.

CHAMJEZA, VIG.

C. fulvescens, Salv. et Godm.

Ad. Bov.d. geelachtig olijfbruin, kop donkerder; lora en eene lijn achter de oogen witachtig; enden der staartp. zwart met licht bruinachtig gele tippen; kopzijden en ond.d. wit met talrijke, zwarte strepen aan de zijzoomen der vederen; borst en crissum bruinachtig geel getint. L. .9. vl. .0, st. 5.8, tars. 4. Geogr. dut. Gu.ana. Lok. dist. Het binnenland.

Sluiten