Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CORYPHOSPINGUS.

of in troepjes leven, dikwijls te zamen met andere Grasvinken. Hun voedsel bestaat uit zaden en insecten. De Arowakken noemen ze Kotoemarie.

Z. p. broedt in het binnenland. Het nestje zou komvormig zijn. Het wijfje legt 2 of 3, nog al rondachtige, grijsblauwe, min of meer geheel met roestbruin en een weinig zwart bedekte, eieren. Afm. 19 X 15 m.M.

Z. macconnelli, Sharpe.

„Gedurende de Roraima-Exp. der heeren McConnell en Quelch in 1898, werden exemplaren van McConnell's Gors verzameld, welke door Sharpe werden beschreven. x)

In het Museum te Georgetown zijn twee vinken, maar de heer Rodway weet niet te zeggen of deze tot M. G. behooren. Zoo ja, dan heeft de heer Quelch eene vergissing begaan door ze te plaatsen onder het geslacht Zonotrichia, want het vederkleed ziet er volstrekt niet muschachtig uit, integendeel nog al fraai en met rood gevarieerd.

CORYPHOSPINGUS, CAB

C. cristatus, Gm. = Le Friquet huppé, Buff. — Moineau de Caycnne, Daab.

cj Bov.d. over het algemeen donker roodbruin mot eene wijnroode tint, helderder wijnrood aan onderrug, stuit en dekv. bov. d. st.; vl. zwartachtig bruin, met randen min of meer van dezelfde kleur als de rug; staartp. zwartachtig met smalle randen; bovenkop en kuif helder karmozijnrood met een zwarten band van af den voorkop langs de zijden v. d. bovenkop; kaakbasis en kin grijsachtig wit; achterkaak, keel en ond.d. donker karmozijnrood, min of meer wijnrood aan onderbuikzijden en vleugelranden; dijen grijsachtig; dekv. ond. d. vl. grijsachtig wit; bovensnavel donker leigrijs; ondersnavel lichter, evenals de pootcn; iris bruin. ^ Bov.d. bruin evenals de bovenkop; stuit en dekv. bov. d. st. wijnrood; kaken en ond.d. licht wijnrood, hals en borst bruiner van tint. L. 14, vl. 6.5, st. 5.8, tars. 1.9, culm. 1.3. Geogr. dist. Brazilië tot Bolivia, Peru, het dalgebied der Amazone en de Guiana's. Lok. dist. Het binnenland.

®) Trans. Linn. Soc. London, 1900, p. 53, pl. 4, tig. 1.

Sluiten