Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COEREBA.

kruipers, eng. Blue-capped Honey-creepers, fr. Guit-guits a tête bleue, zich door lange, dunne, gebogene snavels, die oppervlakkig wel wat gelijken op de snavels van sommige Kolibries, zooals Glaucis hirsuta enz. Tevens is ook de tong lang en

elastisch, en hangt na den dood van den vogel ver uit den bek. Deze lange, aan het uiteinde gespletene tong dient om de bloemsappen en insectjes uit de kelken der bloemen te trekken, hoewel de vogeltjes ook zachte vruchten niet versmaden.

TV H. mist de zwarte keel,

doch heeft een prachtigen blauwen bovenkop. Het wijfje ziet er groen uit, met groen en geelachtig gestreepte onderdeden, maar zonder roodbruine keel als bij de volgende soort. Overigens komen beide species in levenswijze enz. met elkander overeen. Ook de nesten en eieren verschillen niet veel. M. afm. 20 X '4 m.M.

C. coerulea, L. = Grimperean verd tachcté de Cayenne, Daub.= Arbelorhina c., Cab. tn Schomb. Kets.

/ Purperblauw ; knevelvlekken, keel, vleugels, staart en dekv. ond. d. vl. zijdeachtig zwart; snavel zwartachtig; pooten geel; iris donker. 9 Bov.d. donkergroen; knevelvlekken roodbruin evenals de keel; overige ond.d. geelachtig met donkergroene strepen. Jong. Ongeveer als het wijfje, doch met een blauw plekje aan de kaken L 9.3, vl. 5.5, st. 2.8. Geogr. dist. Z.-Amerika van af Columbia, \ enezüela en de Guiana's tot het dalgebied der Amazone, O. Ecuador en Bolivia. Lok. dist. Woudrijke "treken.

Onze Zwartkeel Honigkruipers, eng. BIack-throated Honeycreepers, fr. Guit-guits a gorge noire, zouden behooren tot de subspecies C. c. typica. In Columbia heeft men C. c. microrhyncha en in Venezuela C. c. cherriei. Maar het verschil tusschen deze drie subsoorten? laat zich moeielijk verklaren. Ik laat dit dan ook over aan Hartert en Gr. von Berlepsch.

Z. H. worden in alle woudrijke streken der Guiana's aangetroffen, zoowel bij paren als troepjes of vluchten, die zich dikwijls met de voorgaande species vereenigen of te zamen

Sluiten