Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTHUS.

N.-Amerika. Slechts ééne soort bewoont de Guiana's als standvogel.

K. zijn kleine vogels, verwant aan de Leeuweriken. Alle onderscheiden zich door lange, binnenste slagpennen, bijna even lang als de eerste slagpennen. De allereerste slagpen ontbreekt. Verder hebben K. ontwikkelde, min of meer dikke pooten en teenen, typische tarsi, lange achterklauwen, middelbare staarten, langer of korter dan de vleugels, alsmede dunne, slanke, aan het uiteinde eenigszins gekromde snavels, hooger dan breed bij de basis, maar korter dan de kop. De snavelbasis is min of meer van borstelharen voorzien. Bij vele soorten hebben de beide seksen een zomer- en wintervederkleed. De jongen verschillen doorgaans van de ouden.

In den regel leven K. op den grond, waar ze rondloopen, niet springen of huppelen. Hun voedsel bestaat uit insecten, zoodat de meeste species in het noordon van hun gebied tot de trekvogels behooren. Hun zang klinkt dikwijls zeer aangenaam.

Over het algemeen nestelen K. op den grond en leggen gevlekte eieren.

Species.

ANTHUS, BECHSTEIN.

A. rufus, Gm.

Ad. Bov.d. zandachtig bruin met zwartachtige vlekken, donkerder aan den mantel; onderrug, stuit en dekv. bov. d. st. minder donker gevlekt J vl.dekv. donkerbruin met witachtige randen ; slagp. donkerbruin met zandachtig roodbruine randen, doch witachtig aan de eerste slagpen; staartp. zwartachtig bruin met zandachtig roodbruine randen, de buitenste twee rectrices wit met eene groote, zwartachtige vlek aan de binnenvlag ; buitenvlag der twee uiterste staartp. bruinachtig ï kopzijden min of meer bruinachtig; kaken en keel licht geelachtig wit, met eenige zwartachtige vlekjes aan de kaken; ond.d. geelachtig wit, iets donkerder aan de borst; zijden bruin ; hals en borstzijden niet driekantige zwarte vlekken en enkele donkere strepen aan de zijden ; buik en dekv. ond. d. st. witachtig; dekv. ond.

Sluiten