Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TROGLODYTIDiE.

Subfam. der MIMIN/E.

SPOT VOGELACHTIGEN.

Genera.

A. Bovendeden grootendeels grijs; nekzijden bevederd.

MIMUS, BOIE.

B. Bovendeelen grootendeels zwartachtig bruin; nekzijden onbevederd.

. . . DONACOBIUS, SW.

Species.

MIMUS, BOIE.

M. gilvus, Vieill.

Ad. Bov.d. grijs met eene bruinachtige tint, de schachten der vederen soms donkerder; slagp. en vl.dekv. donkerbruin of zwartbruin, met min of meer grijze randen en twee witachtige banden aan eiken vleugel; staartp. zwartachtig bruin met breede, witte enden, uitgezonderd de middelste rectrices ; wenkbrauwen witachtig; kopzijden grijsachtig met min of meer donkerder vlekjes; ond.d. grijsachtig wit; buik en keel lichter witachtig; onderflanken eenigszins doukerder gestreept; dekv. ond. d. vl. witachtig met donkere vlekken; snavel zwart, evenals de pooten; iris bruin of bruingeel. Jong. Bruiner dan ad.; ond.d. witachtig met bruine vlekjes aan hals en zijden. L. 23, vl. II, st. 12, tars. 3.3, culm. 2.4. Gcogr. dist. Van af Ccntr.Amerika tot het noorden van Z.-Amerika, alsmede een gedeelte der West-Indische eilanden. Lok. dist. Bijna overal.

„De Grijze Savannezanger, eng. Graceful Mocking-thrush of Parula, fr. Merle gris des savannes, onderscheidt zich door een eenigszins gebogen snavel, bijna of even hoog als breed bij de basis, waaraan tevens duidelijke borstelharen. De ronde, van breede, witte enden voorziene staart is langer dan de vleugel. De pooten zijn nog al krachtig, de tarsi met zeer duidelijke scutellen bedekt. Het vederkleed ziet er grijs en witachtig uit,

zonder eenigen glans.

In de kolonie staan G. S. bekend als Dagoe-fowroe, d. w. z. Hondvogels, of ook wel Grafrust, omdat men ze dikwijls op

Sluiten