Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ABK. - ACC.

Altrond (abród), ad. buiten; buitenslands; to lie all —, liet glad mis hebben; to be —, buitenslands) zijn ; to go —, buitens(lands) gaan; atrange report» are —, er loopen vreemde geruchten; there'a wind —, het waait hard; to set a matter —, iets ruchtbaar maken.

Abrogat e (irbrgffeit), v. a. afschaffen, opheffen van wetten; —ion (cebrageWn), s. afschaffing, opheffing.

Abrupt [abrupt), a. afgebroken, plotseling; —ion (abmptS'n), (rap'é'n), s. afbreking; — ■y. ad. plotseling: an — «tyle, een korte, afgebroken sty 1; an — an«wer, een barsch antwoord; —ne«N, s. afgel>rokenheid; overijling; steilte; kortheid van stijl.

Abaceaa [arbfgs), s. gezwel; zweer.

Ahaciaid (abstnil), v. a. afsnijden; —saion (ab*té,n), afsnijding.

Ahacond (abskond), v. a. zich verbergen, —, v. n. (from), zich verberg-en; zich uit de voeten maken; —er, s. voortvluchtige.

Abaeu ce (trbtam), s. afwezigheid; — of aiiind, verstrooidheid; — from town, uitstedigheid ; leave of —, verlof tot tijdelijke afwezigheid; —t, a. afwezig; verstrooid; — minded, afgetrokken.

Abaent («rbrfnt), v. a. (from) verwijderen; to — oneself, zich verwijderen, (—ee (i), 8. afwezige.

Abainth [cepsinlh), *. alsem.

Abaolu te («ebsoljüt), a.; an — raacal, een aartsschelm; — tely, ad.onbepaald; volstrekt, onopzichteiyk, stellig; oppermachtig; —ly youra, (in brieven), geheel de uwe; an — prince, een autocraat; een despoot; — apace, de onbegrensde ruimte; — tenen*, s. onbepaaldheid, willekeur, despotisme; — tion ((BbsoljitS'n), s. vrijspreking, kwijtschelding; aflaat; —tiam, s. alleeniieerschappü, despotisme; —tory [eoljutari), a vrijsprekend.

Abaolv atory (abtolvafari), a. vrijsprekend; —e, (eb-solv'), v. a. vrijspreken, (from, of,; absolutie geven; —er (<vbeoloa), s. vrijspreken

Abaonant [tebeanant), a. wanluidend; ongerijmd.

Abaorb [afitóab), v. a. opslurpen, inzuigen; in zich opnemen; verslinden; —ed, a. (in thought), in gedachten verdiept; —ent, a. opdrogend; s. opdrogend middel.

Abaorp tion (ah/ópts'n), s. opslurping, enz.; —tlve, a. opslurpend, enz. z. Abaorb.

Abatain [abttetn), v. n. (froui) zich onthouden van.

Abatemious (abstimja*), a.; —ly, ad. onthoudend, matig; — nes», s. matigheid, onthouding.

Abatention (abtleni'n), s. onthouding; verhindering; an abatentioniat, een onthouder (z. teetotailer).

Abater ge (abttódz), v. a. reinigen, zuiveren; —gent, — aive (ab'tadz'nt), a. reinigend, zuiverend; afdrogend; —aiou, (ibstaé'n), v. afveging; zuivering.

Abatineu ce (wbïtinant), s. onthouding; total —, geheel onthouding; —t, a. — tly, ad. matig, onthoudend.

Abatract (eebutrakt), «. afgetrokken begrip; uittreksel; —s, s. orgelregisters.

Abatract (abstrmkt), a. afgetrokken; in the —, in 't afgetrokkene; — numbera, onbenoemde getallen, —, v. n. aftrekken; uittrekken, afzonderen (from), —ed, a. afgetrokken; diepzinnig; verstrooid; —edly, ad. op zich zelf beschouwd; (from), — edneaa, s. afgezonderdheid; afgetrokkenheid; —ion {abstrorkè'n), s. afgetrokkenheid; afgetrokken denkbeeld; abstract (Ive), a. nrbstrakt, (dbatrtrktiv), a. aftrekkend, afzonderend.

Abatrua e {abttrii»), a. —ely, ad. diepzinnig, duister; —ene«s, — ity, s. duisterheid, onverstaanbaarheid.

Abaurd (abiAd), a. ongerijmd; — Ity, —neaa, s. ongerijmdheid.

Abundan ce (abuud'v*), s. overvloed, —t, a- —tly, ad. overvloedig.

Abua e {abjüs), a. misbruik; misleiding; beleediging; —e (abjikz) v. a. misbruiken; bedriegen; beleedigen; to — one'i confldence. truat, iemands vertrouwen schenden, misbruiken, s. misbruiker, enz. —ive(abjüuiv) —language, honende taal; —writinga, smaad-, schotschrift; a. —ively, ad. misbruikend; verkeerd; bedrieglijk;beleedigend; —Iveneaa, s. lasterzucht.

Abut (ebot), v. n. (on, upon) aangrenzen, belenden; —ment, s. bruggehoofd; belending; —tal s. aanpaling; grens.

Aby, v. (abai), boeten, lijden voor; dearly did tlie Clierokeea —their rising, duur boetten de Cherokeezen voor hun opstand.

Abyamal (abizm'l), a. grondeloos.

Aby na (abt*), «.afgrond; hel; ook Abysm.

Acaaia {aketia), s. acacia; Germau —, sleedoorn.

Academ lal {akadimj' l) —Ic [eekademik('l), —ical, a. academisch; — ian,ic. s. student; bezoeker eener hoogeschool; academicus; —ician (<■ekadamti'n), —lat, s. academist; lid van een geleerb genootschap ; —y (akaedami), s. academie, hoogeschool; school voor wijsbegeerte*. Royal —, Koninklijke Academie voor schilder- en teekenkunst; Royal Military —, Militaire Academie ; Riding —, Dancing —, Ry—, Dansschool; Fencl»»g—, schermschool; Ganibling—, speelhuis.

Acadian (,aketdj'n), een bewoner van Nova

Scotia.

Acanaceou* (akanetiat), a. doornig.

Acaiitlina (ak«rnthaa), s. berenklauw; lofwerk van een kapiteel.

Acatalep ay (ak<etalep»i), s. onbegrijpelijkheid ; —tic, a. onbegrijpelijk.

Accede [cekfid], v. n. (to), toetreden tot (bij); toestemmen in.

Accelerat e (cekselareit), v. a. bespoedigen, versnellen; —ion (akselareii'n), s. bespoediging; —ive (tekselaratic), — ory, a. yersnellend.

Sluiten