Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEG. — IïEN.

Beget (biget), v. a. telen, voortbrengen, baren; —ter, 8. teler.

Beggar (bega), 8. bedelaar; —a, „Geuzen"; net « — «ii horneback and In* will rlde to the devil. als niet komt tot iet, is liet allemans verdriet; —• miiat not b« chooaera, zij die vragen om iets, moeten niet kieskeurig zijn; een arme man heeft geen keus; —, v. a.; it -• all description, het gaat alle beschrijving te boven; — linenn, s. berooidheid : —ly, a. & ad. armoedig;—y, s. bedelarij, armoede; to be reduced to —, tot den bedelstaf gebracht worden.

Begin (bigt»), v. a. & n. aanvangen, beginnen; —ner, s. aanvanger, leerling, stichter; — ning. s. begin; —niiign. s. eerste beginselen.

Begird (bigAd), (begirdle), v. a. omgorden; omringen.

Begnaw (binó), v. a. beknabbelen.

Begone (bigon), int. ga weg! ga heen!

Begreane (bigrizl8), v. a. besmeren.

Begrime (bigratm), v. a. bemorsen.

Begrudge (bigrndz), v. a. misgunnen.

Begnile (bigatl), v. a. foppen, bedriegen ;(o — tlie time, den tijd verdrijven.

Behalf (bi'iaf), s. baat, nut, voordeel; in my —, te mijnen behoeve.

Beha? e (bihetv), v. a. gedragen, v. n. zich gedragen; — yournelven. boy*! gedraagt jelui fatsoenlijk, jongens !; —iour, s. gedrag.

Behead (bihed), v. a. ontiioofden.

Behent, s. bevel.

Behlnd (bihatnd), ad. achteraan, ten achteren, prp. achter; to be — time, te laat zijn; to be — hand with the world. ten achteren zijn; —hand, ad. ten achteren, achterlijk.

Behold (bihould), v. a. aanschouwen; — , int. zie eens! zie!; —en, a. verplicht.

Behoof (bihitf), s. gerief, nut.

Beho ve (bihikv), v. a. voegen, passen; — vable, — veful, a. geriefelijk, dienstig.

Being (biin), 8. wezen, bestaan; futnre —, toekomstig leven; suprème —, God.

Belabor (biletbs), v. a. afrossen.

Belated (bilettid), a. door den nacht overvallen.

Belay (bilei), v. a. insluiten, berennen, sjorren; to — a rope. een touw vastsjorren.

Belch (bels), s. oprisping; —, v. a. oprispen; to — fort li cornet), vloeken uitbraken.

Beldam (beld'tn), s. grootje, heks.

Beleaguer (biligg), v. a. belegeren;—inent, belegering, blokkade.

Belfry (belfri), s. klokketoren.

Belie (bi/»t) v. a. heeten liegen, belasteren.

Belle f (bilif),, s. geloof; it pannen —,'tis ongelooflijk; to (iie bent of my —, naar mijn innigste overtuiging; —vable, a. ge* looi'baar; —ve, v. a. gelooveu (upon, op), v. n. geloovig z|jn (in); —ver, 8. geloovige; —vingly. ad. met vertrouwen.

Belittle (biUt'l), v. a. verkleinen, verlagen.

Bell (bel), s. klok, schel, bloemkelk; the —n are ringing, de klokken luiden; to bear the —, de belhamel zijn; to —the cat, de

kat de bel aanbinden; to be curned by —,

book and candle, uit de kerk verbannen worden; —buoy, klokkehoei; the paNning —, de doodsklok; —clapper, klepel; — fanliioned, klokvormig; — llower, klokje; —founder. klokgieter; —man, omroeper; —metal, klokspijs; —pull, schellekoord; —ringer. klokkeluider; — ntriug, klokketouw; —wether. belhamel.

Belladonna (betedon»), s. nachtschade.

Belle (bel), s. schoone vrouw.

Bellicone (beli/cou*), a. oorlogzuchtig.

Belligerent (beUdzarant), a. oorlogvoerend.

Bellow (belÓ)t v. n. bulken, loeien; —n, s. blaasbalg.

Belly (be/i), s. buik; A liungry — han no

earn, honger is een scherp zwaard; hin eyen are greater than liis —, zijn oogen zijn grooter dan zijn buik; v. n. zwellen; —ache, buikpijn; —band, buikriem; — —bouiid, hardlijvig; — friend, smulbroêr; —lui, 8. bekomst; —god, buikdienaar; — piiiclied, uitgehongerd ; —timber, vaste spijs; —roll, rolblok; —worm, buikworm.

Belong (bilon), v. n. (to) toebehooren, betreffen.

Beloved (bilnvd) a. bemind, geliefd.

Below (bilou), ad. beneden ; prp. onder, beneden.

Delt, (belt) s. gordel ; — railway, ceintuurspoorbaan ; to hit below the —, een genieenen slag of stoot toebrengen (l>ij vuistgevecht) ; the Great —, de Groote Belt; the V^enner —, de kleine Belt; —, v. a. omgorden.

Bemire, (bimai»), v. a. beslijken.

Bemoaii, (binioun) v. a. beweenen.

Beinock, (bimok), v. a. bespotten.

Dlemourn, (bimóan), v. a. betreuren.

Bench (bené) s. bank, rechtbank; Klng'n, Queen « —, Hooggerechtshof; The Treanury — en, de ministerieële banken (in het Lagerhuis); —warrant, bevel tot aanhouding (rechtst.); —er, s. bijzitter, rechter.

Bend (bend), s. bocht; kromte; kniehout-

Uend, v. a. buigen, krommen, spann&n; v. n. buigen; overhellen, —(againnt), zich wapenen tegen, (on, upon) richten op, (to) richten naar; zich onderwerpen aan; to be bent upon, genegen zijn tot; — on minrhief, op kwaad bedacht; —able, a. buigzaam ; —er, s. spanner, buiger, grap.

Beneaped(fr a. aan den irrond (dooi ebbe).

Beueath (binith), ad. beneden; prp. onder, beneden.

Benedlc tine (benadVctan), a. Benedictijner monnik; —tion. s. zegening; wijding.

Bene factiou {benafmkS'ti), s. weldaad ; — factor, b. weldoener; — factrenn, s. weldoenster ; —flee, 8. kerkelijk ambt; — fleed, a. een kerkelijk ambt bezittend.

Beneficen ce [banefliêlts), s. weldadigheid; —t, a. weldadig.

Benefiet al (benaftSal), a. — ally, ad. voordeelig; —ary, a. onderhoorig; a. kerkelijk beambte, aalmoezenier.

Sluiten