Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEN.

— BET.

Benefit (benifit) s. weldaad, voorrecht, voordeel ; for the — of, ten voordeele van ; n

— ticket, een gelukkig lot (in de loterij);

— Building Society, Maatschappij tot het bouwen van arinenwoningen; to glve n man the — of tlic «loubt, iemand liet voordeel van den twijfel geven; — uiglit. benefice-voorstelling; —t v. a. bevoordeeleu ; v. n. voordeel trekken.

Benet {biiiet), v. a. verstrikken.

Beuevolen ce{benev»l'm),a. welwillendheid, —t. a. welwillend, gunstig.

Beniglit (b'matt), v. a. in duisternis hullen ; —edf a. door den nacht overvallen; zeer dom.

Benign (binatn), a. — ly, ad. goedaardig, minzaam.

Benign nut (benignant), a. vriendelijk, goedgunstig ; —ity, 8. goedgunstigheid.

Benison, (beniz'n), 8. zegen.

Bent (bent), s. kromte, buiging; helling; neiging; to take n bad —, slechte neigingen, gewoonten aannemen; to take the —, het hazenpad kiezen ; —graas, bandriet, helm (een plant).

Benuuib (binom), v. a. verkleumen, verstyven; —ed, a. verkleumd.

Bepaint bipetnt), r. a. beschilderen.

Bepincli (biptni), v. a. beknijpen.

Bcpowder (bipauda), v. a. bepoeieren.

Bepraiae (bipretz), v. a. zeer prezen.

Bequeath (bikuith), v. a. vermaken (als legaat) ; —er, erflater.

Bequest (biktcest), s. legaat.

Bernte (bireit), v. a. beknorren; bekeven.

Berattle (birasVl), v. a. overschreeuwen, bekyven.

Bereave (fcirip), [bereft], v. a. berooven (of,; —ment, 8. berooving.

Bergamot (bügamat), s. bergamotpeer.

Beriiu (bólin), s, berline (rytuig).

Berm (bvm), s. berm (eener borstwering).

Berry (beri), s. bezie, bes.

Berth (bóth), s. hut, kooi, ankerplaats; to apply for a —, solliciteerennaar een vacante plaats ; to give a thing a wide —, iet» niet aanroeren; the ship ia put on the—, ligt in lading; loading —, ladingsplaats.

Beryl (berT), s. berilsteen.

Beseratch ibiskrartS), v. a. bekrabben.

Bescrawl (biskról), v. a. bekladden.

Beseecli (bisiti), v. a. verzoeken, sineeken.

Beseem (bisim), v. a. betamen, passen ; —ing, —ly, a. voegzaam;—ing, s. welvoeglijkheid.

Beset (biset), v. a. insluiten, omsingelen, verontrusten ; — with eiieniies, carei, aan vyanden, zorgen ten prooi.

Beshrew (bisrA), v. a. verwenschen.

Beside(s) (bisatd), (taidz)% naast; —s, nd. daarenboven, buitendien; —, behalve; — the house, naast het huis; — the pnrpo«e, buiten het doel, ondoeltreffend; it is — the scope of this work, het ligt buiten het bestek van dit werk; —s you know lie is a rogue, bovendien je weet, dat hy een

schurk Is; to be — one's ielf, radeloos zijn.

Besiege (bisidz), v. a. belegeren; —r, s, belegeraar.

Beslubber (bitloba), v. a. bemorsen.

Besmear (bUmi»), v. a. besmeren.

Besuiirch (bismoté), v. a. bekladden.

Besmoke (bismouk), v. a. berooken.

Besmut (bismot), v. a. met roet bemorsen.

Besom (biz'm), b. bezem.

Besot (bisot), v. a. verdwaasd (verzot) maken; —tedly, nd. dwaselijk; — tedness, s. verdwaasdheid, verzotheid.

Bespaugle (bispa:^ l), v. a. met loovertjea versieren.

Bespatter (bispwtt9), v. a. bespatten.

Bespeak (bispik), v. a. bespreken, bestellen, toespreken, voorbeduiden; liin manuers — him a gentleman, aan zyn manieren kan men zien, dat hy' een „gentleman" is; a —, een benefiet; to — sent*, plaatsen bespreken; to — one's attention, iemands aandacht vragen.

Bespeckle Ibitpek'l), v. a. bespikkelen.

Bespew (bispjik), v. a. bespuwen.

Bespice (bitpats), v. n. kruideu.

Bespit (bisptt), v. a. bespuwen.

Bespot {bispot), v. a. bevlekken.

Bespread (bispred), [bespread], v. a. bestrooien.

Besprinkle (bieprt^Vl), v. a. besprenkelen.

Besputter (bispot»), v. a. bespuiten.

Best (best), a. & ad. best; at —, hoogstens; —, s. best; to «lo one's —, zyn best doen; the bridegrooni and liis — man. do bruidegom en zyn bruidsjonker; to uiake the — of one's way to, zich zoo spoedig en zoo goed mogelijk begeven naar; to the — of niy remeiubraiice, voor zoover ik my herinner.

Bcstain (bistetn), v. a. bevlekken.

Bestead (bisted), nuttig zyn, helpen.

Bestial (bestj'l), a.; —ly, ad. dierlyk; — ity, 8. beestachtigheid; —ize, v. a. dierlyk maken.

Bestick (bistik), v. a. besteken.

Bestir (bistó), v. a. opruien.

Bestow (bistou), v. a. geven, schenken, verleenen; (on, upoii); —al, s. schenking, gilt.

Bestrew (bistrik), v. a. bestrooien.

Bestride (bistratd), v. a. schrijlings gaan zitten op.

Bestud (bistod), v. a. bezaaien.

Bet (bet), s. weddenschap; to lay a —. een weddenschap aangaan ; —, v. a. & n. wedden;

— a li imd red to one, honderd tegen één verwedden ; 1*11 — you a shilling, ik wil met Je om een shilling wedden.

Betake (bitetk)v v. a. (to) zich wenden tot, toevlucht nemen tot; to — oneself to study, zioh op de studie toeleggen; he betook himself to drinking, liy nam zyn toevlucht tot den drank.

Betel (bifl), s. betel.

Bethink (bithti\k), v. a. bedenken; — one's self (of), zich te binnen brengen.

Bethuiup (bithomp), v. a. afrossen.

Betide (bitald), v. a. wedervaren; woe sliall

Sluiten