Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOW. — BRE.

Bowie-knlfe (bouinaif), 11. lang-, breed mes.

Bowl, (l>oul), ff. kom, beker, bal; to play at — s, balspelen; —, v. a. & n. rollen, worpen, kegelen; to —over, omverwerpen (ook flg.); —Ing, ff. balspel;—Ing-green,s. grasperk voor het balspel.

Box (bok*), ff. doos, kist, loge. koetsbok, oorveeg; to be In a —, er leelyk Inzitten; to be in the wrong —, bet mis hebben; to — tlie eompass, (van den wind b.v.), liet kompas rondgaan; Jack-in-a—. duiveltje in een doosje; —en, a. van boksbootn, van palmhout: a —en writing-€le«k. een palmhouten schrijftafel; —iron, boutijzer; —tree, boksboom, palm; —-wood, steekpalm: a —maker, een kistenmaker; — an«l needie, kompas; —, v. a. in eene doos ■luiten, vuistslagen geven, v. n. boksen; — er, s. bokser.

Boy (boi), s. knaap, jongen ; — liootl. jongensleeftyd; —ish, — llke, a. jongensachtig; — lahness, n. kinderachtigheid.

Boycott, uitsluiten; —ee, uitgeslotene.

Brabble (brarb'l)% a. gekibbel, krakeel; —, ▼. a. krakeelen; —r, s. krakeeler.

Braee (breit), s. paar, koppel, haak, band, houvat; —koetsveeren, bretels, haakjes, brassen; —, v. a. binden, rekken, opbrassen; It wlll qulte — yon up, het zal u kracht feven, opfrisschen.

Braeelet (breitlet), b. armband, handboei.

Brach (brceti), b. brak (hond).

Brachy grapher (breektgrgf»), snelschrijver; —grapliy, b. snelschryven; — logy (breekilodzi), a. kortheid in uitdrukking.

Brack (breek), s. barst, breuk, scheur, (het) zilte; —et, b. klamp, knie- of kromhout, étagère; —et», b. haakjes; —ish, a. brak, ziltig; -Ishness, b. brakheid, ziltheid.

Brad (breed), s. spijker zonder kop.

Brag (brat7), gesnoef, bluffer ij; — gadocio, —gart, b. snoever, pocher; —gart, a. — gingly, ad. snoevend, pochend; v. n. pochen, snoeven.

Brald (breid), s. vlecht, veterband, knoop; —, v. a. vlechten.

Brall (breil), v. a. gelen; —», ff. geitouwen.

Brain (brein), s. brein, hersenen, verstand; —, v. a. de hersenen inslaan, verijdelen; — fever, hersenziekte; —les®, a. hersenloos; —pan. hersenpan; — «lek, ijlhoofdig.

Brait (breit), b. ruwe diamant.

Brak e (breik), b. varenkruid, hraamboschje, vlasbraak, neuspranger, kneedtrog, rem; a safety—, een noodrem; to put on the—, den rem aanzetten ; to take ofl' the —, den rem losmaken; —e, v. a. braken (hennep); —y, a. doornig, ruw.

Bramhle (brtrmb'l), ff. braamstruik.

Bramin (hiómin), a. Indische priester.

Bran (bron), a. zemelen, gruis; —ny, a. zemelig.

Braneh (brdni), b. tak; —bank, filiaal; — work, loofwerk (in beeldh.), armkandelaar; —, v. a. in takken verdeelen, v. n. getakt s\jn, uitloopen; —ed, a. getakt; —er, a.

stamvader, takschleter, takkeling; — less, a. zonder takken; — y, a. getakt, vol takken.

Brand (brand), s. brandhout, brandijzer, schandvlek, brandmerk, zwaard, toorts, kwaliteit, soort; b.v. a good — of flonr, ale, clgars, een goed aoort meel, bier, sigaren; the choicest — of tobacco, de beste kwaliteit tabak; a favonrite —, een gezocht merk; —, v. a. brandmerken; —er, s. brandmerker; —goose. wilde gans;—Iron, brandijzer; —nes', splinternieuw.

Brand ish (bratndii), s. zwaai; —, v. a. zwaaien.

Brandling (brtrndVng), s. spoelworm.

Brandy (branidi), s. cognac; Freneh —, brandewijn; corn —, gin, jenever. Schiedammer ; cherry—, morellen op braudewyn.

Brangle (brat\g'l), s. twist, krakeel; —, v. n. krakeelen: — r, s. krakeeler.

Brank (bravjc), a. boekweit.

Bras» (brd*), a. messing, geel koper, onbeschaamdheid ; —band, orkest van koperen instrumenten; —color, koperkleur; —foil, klatergoud ; —ore, kalamijnsteen ; —wire, koperdraad: —work», kopergieterij; — Iness.s. koperaehtigheid; —y,a. koperachtig.

Urat (brat), s. kind, wicht, nest.

flravado (bravetdo), a. snoeverij.

Brave (breiv), a. —ly, ad. traaf, dapper; — v. a. trotseeren, uitdagen; v. n. pochen; — —ry, 8. moed, dapperheid, pronkerij.

Brawl (bról), s. rumoer, getier ; —, v. a. verdrijven ; v. n. schreeuwen ; kijven, tieren.

Brawn (br&n), s. vleesch van een wild zwijn; spierkracht; — iness, s. gespierdheid; — y, a. gespierd.

Bray (li'ei), ff. gebalk, geschreeuw; —, v. a. fynwrijven; v. n. balken, schreeuwen; —er, s. balker, stamper.

Braze (breiz), v, a. soldeeren; onbeschaamd maken; —n, a. metalen ; onbeschaamd —; —faced. a. onbeschaamd; —ness, s.koperaehtigheid, onbeschaamdheid, —n, v. n. onbeschaamd zijn.

Brazler (breizd), s. koperslager, kolenpan, komfoor.

Brazil, (br»zil), s. Braziel-hout.

Breach brttS), s. breuk, bres, inbreuk, onmin.

Bread (bred), s. brood; a slice of bread and bntter, een boterham; Better half a loaf tlian no —, beter een half ei dan een leege dop; to get one'i —, zijn brood verdienen; — clilpper, bakkersknecht; — basket, broodmand ; —tree, broodboom.

Breadtli bredth), s. breedte, baan.

Break (breik), s. breuk, afbreking, rem; — of day, krieken van den dag.

Break v. a. breken, fnuiken, openen, voorsnijden, dresseeren, temmen ; to — a bloodvessel, een bloedspuwing krijgen ; to — the lee, een gesprek beginnen na een pijnlijke of gedwongen verhouding; to — iicwn. onaangename tyding meedeelen; overtreden; (down) afbreken, losbarsten in tranen; (front, of) ontwennen, afbrengen van; (ofl*) afbreken, staken; (up) afdanken; —, v. n.

Sluiten