Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEI. — BUD.

schuldigr verklaren; (on) aan den gang helpen; (over to) overhalen tot; (out ofj helpen uit; (to) bijdraaien; (op) opvoeden, invoeren, voor anker leggen; — an actlon ngnlnftt, een proces aandoen; — word, bericht. brengen; to — to account, in rekening brengen; to — forwnrd, transporteereu (op rekeningen); —er, b. brenger.

Brlit Ish (bratnif), —y, a. pekelachtlg.tout. Brink (brink), s. kant, rand.

®rl»L (brisk), a. —ly, ad. levendig, wakker, krachtig; —, v. a. verlevendigen, aanvuren ("■P); —nes*, s. levendigheid.

Brisket (brlskat), s. borst van een dier. Bristle (brit'l), s. borstel; —, v. a. van borstels voorzien, v. n. als borstels overeind staan ; —«♦ Bristly, a. borstelig:.

Brlttle (brtf l), a. broos; —ness, a. broosheid. Brize (braiz), s. paardenvlieg.

Broach (brouti), s. spit;—, v. a. aan het spit steken, een vat opsteken, te berde brengen ; to -— a lie, een leugen smeden; (up) bijdraaien; —er, s. te berde brengen, uitviuder, braadspit.

Broad (fcnftf), a. —ly, ad. breed, wijd, grof, ?!f. ; ~rnwa,4e' kIa»r wakker; —axe, strijdbijl; —breasted, breed van borst;—brim. med, breed van rand; —clotli, breed laken-day.light, klaarlichte dag; —eyed .scherpzinnig; —faced, onbeschaamd ; —seal, groot «egel; —slde, batterijzijde, volle laag, in plano; — «word. slagzwaard; — wiie, inde breedte; —ness, s. breedte; —en, v. a. breed maken, v. n. breed worden.

Brocade (braketd), s. goudlaken; —d, a. geborduurd.

Broccoli (bro\9li), s. spruitkool.

Broek (brok), s. das.

Brocket (brokat), s. tweejarig hert.

Brogue (broug), s. houten schoen, platte uitspraak (vooral Iersch).

Broil (broil), s. rumoer, twist; —, v. a. & n.

roosten; —er, s. rooster, krakeeler.

Broke (brouk), v. n. makelaardij drijven; —r, b. makelaar; —rage, s. makelaardij, courtage.

Broken (brouk'v), part; —footcd, lam van voeten; —hearted, troosteloos; —windei! kortademig; — ly, ad. bij stukken. Bronchia(ee), vertakking(en) van de lucht-

PUP; bronchiai, bronchitis.

Brouze (brom), s. brons; —, v. a. bronzen. Brooch (brouti), s. borstspeld; —, v. a. met

juweelen versieren.

Brood (brud), s. broedsel, kroost; —, v. a. broeien, tot rijpheid brengen, v.n uitbroeien, peinzen (over); —y, a. broeisch.

Brook (br-uk), s. beek; —let, s. beekje; — v.

a. verdragen, dulden.

Broom (briim), s. hel, brem, bezem; new —• sweep clean, nieuwe bezems vegen schoon; —land, heigrond; —maker, bezemmaker; —rapé, meerkruid; —stick, bezemstok ; —, v. a. schrobben; — y, a. vol hei. Brotli (brotli), s. vleeschnat. i

Brothel (&roth7), s. bordeel. j

Brother (brotha), s. broeder; -in-law schoonbroeder; foster —, zoogbroeder- — bood, s. broederschap; —ly, a. broederlijk. Drow (brau), s. wenkbrauw, gelaat, kruin; —beat, v. a. uit het veld slaan; —bound. a. gekroond.

Drown tbravn), n. bruin: —. Jonei and nobliiAnn, Jan, Plet en Klaas; Jan en alleman i to be In n — .tu.ly, Zitten te peinzen; fo Uo n man —, bedriegen, verschalken; —bread, roggebrood; -George, kommiesbrood; —stout, zware porter; — study.dien

gepeins; —wort, brunelle, speeukruid-

isb, a. bruinachtig.

Browse (bram), s .voorjaarsspruitjes ; — v. a

afvreten, v. n. grazen.

Brui ze (brüz), a. kneuzig; —, v. a. verpletteren, kneuzen; -wort, kneuskruid; -r, s. bokser, sljjpschaal.

Brult (brut), s. gerucht, geraas-, — v a

ruchtbaar maken.

Brumal (brikmal), a. winterachtig.

BrMM* (bron/), s. schok, geweld, slag; tlie — of the attack, the battic, de hitte van den aanval, den slag.

Brush (brvi), s. l orstel, penseel, kwast, schermutseling; blackliig —, schoenborstel; — v. a. schuieren, borstelen; (oir, uit) kladschilderen; v. n. wegsluipen; -.„aker, borstelmaker; —wood, kreupelhout: —v. a. ruig, borstelig. '

Brn.tlr (broft). v. n. knetteren, luischen. Ilrutnl {brüCIt, a.; -ly, ad. dierlyk, woest, onbeschoft; — Ity, s. dierlijkheid, onbeschoftheid; - M, v. a. & n. verdierlijken.

Urut e (brut), s. redeloos wezen; —e, ish

a. redeloos, dierlijk ; -Ify, v. a. verdierlijken, Verstompen; — islutess, s. dierlijkheid woestheid. '

Bryony (bratoni), ». wilde wijngaard, lluhble (Iub l), s. waterbel, nietigheid, bedro"—compoules, windhandelzaken- — v a bedriegen, v. n. opborrelen; -r, s.'bedriegeV.' Rubo (bjikbo), s. liesgezwel.

Ilubonic plague, builenpest.

Buck (bvk), s. bok, mannetje, loog, fat* — v. a. in de loog zetten, v. n.'paren; -ashe*,' loogasch ; —basket, waschmand; —beau», boksboonen, waterklaver; — eoney, damhert —eye, spotnaam voor de inboorlingen van Ohio; —fïoat, geitehok; —ram, styf linnen;

skin, boksvel, zekere broekstof; tail

naam eener politieke partij in New-York-' thorn, kruisdoorn; — wl.cat, boekweit—Isb, a. weelderig, wulpsch.

Rucket (hok'/), s. wateremmer.

». gesp, krul; —, v. n. gespen, kiullen, v. n. buigen, zich voegen; (forl zich gereed maken tot; (to) zich toeleggen on

- « °"ch"de''PC" aani ("l,h) met-

Oucolic (bjiikolik). s. herdersdicht, dichter

van een herderszang; —, a. herderlijk. Uml (iDd), n. knop, kiem; to nip j„ the—, in de kiem smoren; v. enten, v. n. botten; —ding-kuilc, entmes.

Sluiten