Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CLO. — COA.

kleerborstel; —hop»©, droogrek; —Ilne, drooglijn; — ii»«ii, kleerkooper; — peg,droogstok; — preaa. kommodc; —prop, stut of stok voor het drogen der wasch.

Clothler (ktouthi»), s. lakenkooper, volder, kleerenverkooper.

Clothing (klouthty), s kleeding.

Clot ter (klot»), v. klonteren; — ty, a. klonterig.

Clood (klaticl), s. wolk, donkerheid, gedranpr; to be under a — .in verlegenheid zitten, „aangcschoten" wezen; to be in the —•, in de wolken zijn; (fig.)every — haa a illver linIng.geen ongeluk is zóo groot of er is een geluk bfl;—,v.a. bewolken,verduisteren,bedroeven,v. n. betrekken, treurig worden ; — burit. wolkbreuk;—land,het land der droomeu; —rack. het zwerk, de drijvende wolken; — capt, met wolken bedekt; —topt, de kruin met wolken bedekt; — ily. ad. met wolken; —leaa, a. onbewolkt; —let, wolkje; —neaa, s. betrokkenheid; —y, a. betrokken, bewolkt, somber.

Cloagh (klvf), s. klip, steilte, goedgewicht.

Olout (klant), s. dweil, lap. stop, luier; to look aa white as a —, zoo wit als een muur zien; —nail. schoenspijker; —, v. a. lappen, opflikken; —ed, a. geklonterd;—ed eream, dikke room.

Clove (klouv), s. kruidnagel; — of garlic. lookbolletje; —gilly-flower, kruidnagelbloem, sering.

doven (klouv'n), a. gekloofd ; — footed. met gespleten hoeven; he iliowi lii» — Toot, bij hem komt de aap uit de mouw.

dover (klouvs), s. klaver, overvloed ; to Uwe In —, een lekker leventje hebben; fourleaved —, vierbladige klavier; —ed, a. met klaver begroeid.

Clown (klaun), s. kinkel, hansworst; —iali, a. —iahly, ad. ongemanierd, lomp ; —ialineaa, ongemanierdheid, lompheid.

Cloy (kloi), v. a. oververzadigen. volproppen, vernagelen; —leaa, a. onverzadigend.

Club (klvb), s. knuppel, club, fonds, gelag, klaveren; —, v. a. zijn aandeel bijdragen, T. n. medewerken, bijdragen; — fiated, pootig; — foot, horrelvoet; — headed, dikkoppig. —law, recht van den sterkste; —room, clubkamer; — biat, §. lid eener club.

Clnck (klvk), v. a. & n. klokken (van een kip).

Clne, z. Clew.

Clnmp (klvmp), h. klomp, groep (boomen); — -boota, zware laarzen.

Clama ineaa (klomzin98),t. lompheid, onhandigheid; —ily, ad. —y, a. lomp, plomp, onhandig.

Cluneh (klvni), s. verharde klei.

Cluater (klost»), s. tros, bos, menigte, zwerm-, , —, v. a. verzamelen, bijeenbinden; v. n. in

• trossen groeien, zich opeenpakken; —y, a. in trossen groeiend.

Clntch (klvti), s. greep, klauw; —, v. a. grijpen, omknellen.

Clntter (klots), s.verwarring, geraas; —, v. n. geraas, (rumoer) maken.

Clyater (kUits), s. klisteer; —plpe, klisteer* spuit.

Coacervate (koucesAvit', s. samenhoopen; coacervation.

Coach (komf), s. koets; a alow —, een trage, luilak ; to play at" coachen " witli one'a moiiey, den grooten „meneer" spelen met z'n geld; —, v. a. & n. rijden (in eene koets); africhten (voor een examen); —box, koet* siersbok; —fare, vracht;—hire, koetshuur; —horae, koetspaard; —lioaae, koetshuis; -man, koetsier.

Coac tlon (koutfki'n), s. dwang; —tive, a. dwingend, samenwerkend.

Coadju tant (lcouardzutant), a. helpend, me* dewerkend; —tor (A'OHdc/£*kto),s.medehelper; —trlx, s. medehelpster.

Coagent (knuetdz'nt), s. helper.

Coagula ble (koiietrjjufob'l), a. strembaar; —te, v. a. & n. doen stremmen; —tiou (koiogjuleti'n), s. stolling; —tlve, a. stremmend; —tor, s. stremmend middel.

Coal (koul), b. kool; —, v. a. tot kolen bran* den, met houtskool schetsen, steenkolen innemen; to be hauled over the — a, berispt worden, den „mantel uitvegen "; buriiing —. gloeiende kool; to lieap —a of fire on one'a hcad, vurige kolen op iemands hoofd stapelen; dead —, doove kool; p»steenkool; —baaket, kolenmand; —box, —acnltle. kolenemmer; — black, koolzwart; —lieaver, kolendrager; —hod, kolenbak; —liouae, kolenschuur; a —•ligliter, z. Collier, een kolenschip; n —*iueaanre, een kolenmaat; — inerehaut, kolenkooper; —mine, —pit, kolenmijn; — mouae, koolmees ; —*tra«le, steenkoolhau* del; —worka, koolbergwerk; —ery, s. ko* lengroef; — y, a. koolachtig.

Coaleac e (kotialen), v. n. samengroeien, zich vereenigen; —ence, s. samenvloeiing, ver* eeniging.

Coalition (kondliS'n) s. vereeniging, verbond.

Coaptation (kouspteté'n), s. juiste bijeen* schikking van deelen.

Coarae (kói*), a. — ly, ad. grof, ruw, gemeen; —neaa, s. grofheid, ruwheid, gemeenheid.

Coaat (koust), s. kust, oever; tiie — iaelear, de kust is veilig, het gevaar is voorbij; —, v. a. dicht varen langs, v. n. langs de kust varen; —er, s. kustvaarder; —ing, s. kustvaart; —ing-pilot, kustloods; — ing*trade, kusthandel.

Coat (kout), s. jas, rok, pels, vacht, vlies, huid, schors, laag, stand; cut jour — according to your clotli, zet de tering naar de nering; he turned liia — (fig.). hij koos een andere partij; to duat a man'a — tor hint (fig.), iemand een pak slaag geven; cloae —, sluitjas; dreaa —. gekleede rok; great—, overjas; — of arma,wapenschild; — of mail, maliënkolder, pantser; —card, prentje (in 't kaartspel; —-tail, rokspand, slip; —, v. a. bedekken, bekleeden.

Coax [kouks), v. a. pluimstrijken, flikflooien; to — a peraon out of hie moaey.

Sluiten