Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CON. — CON.

Conanl (kons'l), 0. consul; —ar fkonfula), a. van een consul, consulair; — «te, s. consulaat; —«hip, s. consulschap.

Conault (konsalt), s. raadpleging, beraadslaging, raadsvergadering.

Coimult (kansult), v. a. raadplegen, v. n. beraadslagen; — ation, s. beraadslaging, raadpleging; —ative, a. raadplegend; —er, s. , raadpleger.

Conaum able (kan 8 Am'bï), a. verteerbaar; —e, v. a. verteren, verkwisten, v. n. verteren (away), wegkwijnen; —er, s. verteerder, verkwister.

Conaumaia te (kansumit), a.; — tely, ad. volkomen, voltooid; —te, v. a. volbrengen, voltooien; —tioi» (konsDmeti'n), s. voltooi- j ing, voleindiging, dood.

Conaump tioi» (k^nsompS'n), s. verbruik, ver- j tering, verwoesting, tering; home—, for- : eign —tion, binnen-, buitenlandsch verbruik; to die of — tion. aan de tering sterven; —tive, a.; —tively, ad. verterend, teringachtig; —tiveneaa, s. teringachtiglieid.

Contabnla te (kanttrbjülrit), v. a% met planken beschieten; —tion (kantcebjülets'n), s. beplanking, bevloering.

Contact (kontakt), s. aanraking; to come in — with. in aanraking komen met; point of —, annrakintrspunt.

Conta «ion (lcan/etdz'n), s. besmetting; — gioua, a. besme'teiyk; —giouaneaa, s. besmettelijkheid; the — iglon» Diaeasea Act, de Wet op Besmettelijke Ziekten.

Contain (kavtein), v. a. bevatten, behelzen, in toom houden, v. n. zich onthouden; —able, a. bedwingbaar, bevatbaar.

Contaniina te (kanttrmineit), a. bezoedeld, bevlekt; —te, v. a. bezoedelen, bevlekken; —tion, s. bevlekking.

Contango (kantarngo), afrekening, rente wegens uitstel van betaling.

Contemn (kantem), v. a. verachten; —er, s. verachter.

Contemper (kavt»mpa)\ —ate, v.a. temperen, matigen; —ameht, b. graad, temperiug; — ation. s. tempering, matiging.

Contempla te (kantemplit), (kontampleit), v. a. beschouwen, overdenken, v. n. peinzen (on); —tion, s. beschouwing, overdenking, bespiegeling ; to have in —tion, beoogen; —tive, a.; —tively. ad. nadenkend, bespiegelend ; —tive faculty, denkvermogen; — tor, s. beschouwer.

Contemporaneoua (kantemporelnjas), a.; — ly, ad. geiykt'vjdig.

Contemporar Ineaa (kantemparcerines), s. gelijktijdigheid; — y, a. gelyktydig; —y, s. tijdgenoot.

Conté nipt (kantemt), s. verachting; to hold in —, minachten; for —, by verstek; — ible, a.; —ibly, ad. verachteiyk; —ibleneaa, s. verachteiykheid; —nou*,a.; nouwly, ad.minachtend, trotsch ; —uoutneM, s. minachting.

Contend [kantend), v. n. twisten, wedyveren, streven (about, for, with); —er, s. betwister, tegenstander, strever. I

Content (kantent), —ed. a. —edly, ad. tevreden; —, s. tevredenheid, omvang; to one'a heart'a—, naar hartelust; the aolid —. de kubieke inhoud; the — of a man'a life. het geheele menschenleven; —•, s. inhoud ; table of — a, inhoudsopgave; —, v. a. tevreden stellen; -ediien, s. tevredenheid; —leaa, a. ontevreden; —ment, s. vergenoegdheid, berusting.

Conten tion (lcantenS'n), s. Rtryd, twist, bewering; —tiou», a.—tioualy, ad. twistziek; —tiouaneaa. s. twistzucht.

Contermi nate (kantóminit), —nou*, a. dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.

Conteat (kontest), s. geschil, strijd.

Conteat (kantest), v. a. betwisten, bestrijden, v. n. twisten, wedijveren (with); —able, a. betwistbaar;—ant, 8. betwister; —ation, s. strijd, betwisting, getuigenbewijs.

Context (kontekst), samenhang, verband; —, a. samengeweven; —ure, (kantekstja), s. samenstel, samenweefsel.

Contigui ty (kontigjAiti), t. nabijheid, belending; —oua, (kantigjfas), a.—oualy, ad. aanpalend, belendend; — ouaneaa, s. uabybeid, aanpalinsr.

Continen ee (kontinens), —cy, s. matiging, onthouding, ingetogenheid; —t, a. matig,ingetogen, kuisch; —t, s. vasteland; —tal, a. van het vasteland; Continental ayatem, het kontinentale stelsel (v. Napoleon I); — power(e), landmacht der Vereenigde Staten, ook: de mogendheden van Europa; — tal moiiey, geld in omloop op het vasteland van Europa.

Contigen ce (kanttndë'ns), — cy, s. toevalligheid, gebeuriykheid; —t, a. toevallig, gebeuriyk; —t, s. toeval, aandeel; —tly, ad. by geval.

Continu al (kanttnjual), a. —ally, ad. aanhoudend, gestadig; — alneaa. s. aanhoudendheid; —ance, s. onafgebroken opvolging, aanhoudendheid, voortduur, verblijf, uitstel; —ate, v. a. nauw verbinden; —ation (kantinjtieti'n), s. voortzetting; —ative, a. voortzettend, voortdurend; —ator, s. voortzetter; —e, v. a. voortzetten, verschuiven, v. n. voortgaan, volharden; to be —ed, wordt vervolgd; —ed, a. —edly, ad. voortdurend, onafgebroken; —Ity (kentin Aiti), s. samenhang ; —oua, a. samenhangend.

Contort (kantdat), v. a. vlechten, verdraaien, wringen; —ion, s. verdraaiing, wringing.

Contour (kaïitAa), s. omtrek.

Contraband (kontra <B»d), a. verboden; —, s. sluikhandel, smokkelwaar; — of war, oorlngg'contrabande; —iat, s. sluikhandelaar.

Contract (kontra kt), s. verdrag, contract, overeenkomst.

Contract (kontrtrkt), v. a. samentrekken, bekorten, overeenkomen, verloven, aanwennen, zich op den hals halen (a diaeaae), aangaan, maken (debta): —, v. n. inkrimpen, een verdrag sluiten; they —ed for the aupply of cottona and woollena, zij (contracteer' den) namen aan volgens contract te leveren

Sluiten