Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—Iskar, 8. afbreker, Blooper; —itlon

(dimolié'n), «. afbreking, slooping.

Demon (dim'tl), s. boo/e geest, duivel.

Demon iac (dimounialc), s. bezetene;—iac, —iacal (demonatakal), — lai», a. duivelsch; —ology (dimanoladzi), b. leer der booze geesten.

Deuioiistr able (dimon*trabl),a. bewijsbaar, betoogbaar; — ably, ad. klaarblijkeiyk;— ate. v. a. bewijzen, betoogen; —ation (demomtreii' n), s. bewijs, betoog; —ative,

a. —atively, ad. aanwüzend, betoogend, klaarblijkelijk; —ator, s. betooger, bewijs* voerder; —atory, a. bewijzend.

Demoral isation (dimoralizeiPn), s. zedenbederf; —ize (dimoralaiz), v. a. zedeloos maken.

Demotic (dimotik), a. volks-, van liet volk.

Demulcent (dimols'nt), a. verzachtend; —, s. verzachtend middel.

Demur (dentA), s. aarzeling, weifeling, uitstel; —, v. a. opschorten, betwijfelen, v. n. aarzelen, weifelen, tegenwerpingen maken; he — red upnn going, hty aarzelde te gaan; —, exceptiën opwerpen (in een rechtsgeding; —rage, s. liggeld; «lay« «f —rage, ligdagen; —rer, s. vertrager, besluitelooze.

Dein ure (dimjita), a. —ly. ad. stemmig,zedig, bedeesd; -nu», s. zedigheid, bedeesdheid.

Demy (dimnt), een bijzonder papierformaat (22 by 17*/j inches voor drukwerk en 20 bij 15®'j inches voor schrijfpapier); ook student aan iiet Magdalen College, te Oxford.

Den (den), s. hol, spelonk; —, v. n. in een hol wonen.

Denary (denari), a. tientallig; —, b. tiental.

Denntionalize (divtréianalaiz), v. a. van de nationale rechten berooven.

Denaturalize (dina-tjüralaiz), v. a. onnatuurlijk maken.

Denür ite (f/eNcZra//),s.boomsteen; —ologist (dendrolodz ist), s. boomkenner; —ology, s. boomkunde; —oid, a. boomachtig; —olite,

b. versteening eener plant.

Denl able (diuaiab*l), a. loochenbaar: —al, s. ontkenning-, weigering, verloochening; •elf—al, zelfverloochening; to take no —al, van «reen weigering willen liooren ; —er, i s. verloochenaar, weigeraar.

Denigra te (deuijreit), v. a. zwart maken, belasteren; —tion (denig.eié'n), b. belastering.

Denlz atlon (denizeti'n), s. erkenning als burger; —en (deniz'n), s. vrije burger, genaturaliseerde; v. a. het burgerrecht geven, als burger erkennen.

Deitoiniiia te (dinomineit), v. a. noemen; —tion, s. benaming; —tive, a. benoemend; —tor, 8. naamgever, noemer (eener breuk).

Denot ation (denoteiè'n), s. aanduiding;—e (dinout), v. a. aanduiden, aanwijzen, kenmerken; —enient, s. aanduiding, kenteeken.

Denounce (dinauus), v. a. aankondigen,dreigen; aanklagen; —ment, s. aankondiging ; aanklacht; —r, s. aankondiger, aanklager.

Dent e (deus), a. dicht; —eneu, —ity, s.

DEM. - DEP.

dichtheid, vastheid, adv.; — ly. a—ly peopled country, een dicht bevolkt land.

Dent (dent), 8. kerf, tand, deuk; —, v. a. kerven, uittanden, deuken; —al, a. tot de tanden beliooernd; s. tandletter; —ate. —ated, a. getand; —ed, a. in gekeept, getand; —Iele, —II, s. tandje; uitstekend puntje ; —iculated (danlikjuleitid), a. getand; —iform, a. tandvormig; — ifrice (flentifrit), s. tandpoeder; — Ut, 8. tandmeester ; — itlon, (identié'n), b. (het) tandeu krijgen.

Denud ate (dinjudeit), —e, v. a. ontblooten; — ation, (dinjudeië'n), s. ontblooting.

Denuncia te (dinnuieit), v. a. bekend maken, dreigen, aanklagen; —tion (dinvn• fieli'n), a. bekendmaking, bedreiging, aangifte ; —tion of the Gospel, prediking van het Evangelie, blijde boodschap; —tion of war. oorlogsverklaring (bedreiging); — tor, s. kondiger, aangever; —tory, a. aankondigend, tichtend.

Deuy (dinai), v. a. loochenen, ontkennen, weigeren ; to — oneself, zich ontzeggen.

Deobntr uct (diobatrnkt), v. a. open maken, bejemmeringen wegruimen ; —ueut, a. wegruimend, zuiverend, s. losmakend middel.

Deodand (diadtsnd), s. zoenoffer, godsgift.

Depaint (dipeint), v. a. afschilderen, beschrijven.

Depart (dipat) v. a. verlaten; scheiden (van metalen); to —tliis life, overlijden; —, v. n. vertrekken, (from) afwijken, laten varen; (wltli) afstand doen ; to — from life, from principles, uit het leven verscheiden ; beginselen opgeven; to — from God, God verloochenen ; to —from one's demaiiri, van zijn eisch afzien ; —ment, a. gewest, departement ; werkkring; Home (foreign) — ment, departement van fiinnenl. (Huitenl.) Zaken; —ure, (dipat,)»), s. vertrek, afreis, overlijden, afstand, afwijking; to take one's —ure, vertrekken.

Depend (dipend), v. n. afhangen (on). vertrouwen (oii. npon); he in not to be — ed upon, men kan niet op hem rekenen; —upou it! reken er op! —ant, 8. afhangeling; —ence, — ency, s. betrekking, afhankelijkheid, vertrouwen, ondergeschikten; —ent, a. neerhangend, afhankelijk.

Depict (deptkt), —ure, v. a. afmaken.

Depil ate (depileit), v. a. ontharen ;—ation (depileti'n), s. ontharing; uitvallen der haren; —atory (diptlatara), a. het uitvallen der haren bevorderend ; s. middel om het haar te doen uitvallen ; — ous, a. haarloos.

Deplantatlon (diplantetS'n), b. verplanting.

Deplete (diplit), verminderen ; a —tl t-iver, een rivier, van viscli beroofd; «lepletion (diplië'n), aderlating, vermindering.

Dep lor able (diplorib'l), a. —ably, ad. beklaaglijk, jammerlijk; — ablenen, s. betreu* renswaardigheid; —e, v. a. beweenen, bejammeren ; —er, b. beweener.

Deploy [diplót), a. ontwikkelen, ontplooien.

Sluiten