Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEP. - DES.

De plu ut ation (deplumeti'n), s. ontvedering; —e, v. a. ontvederen.

Dcponeikt (dipounant), a. nederleggend ; —, s. getuide, deponens.

Depopula te (dipopjuleit), v. a. ontvolken ; —tion (dipupjuleisn), s. ontvolking; —tor, s. ontvolker.

Dcport (dipóat), v. a. gedragen (one'a «elf); —ation, (dipótets'n), b. verbanning; —inent, s. houding, gedrag.

Dcpon al (tlipouz'l), s. afzetting; —e, (dipouz), v. a. afzetten, nederleggen, v. n. getuigenis afleggen; —er, s. die afzet.

Depowit (dipozit), s. onderpand; iii, on —, in deposito; — in bank, bankdeposito; —, v. a. nederleggen, in bewaring geven, atleten; moiiey —ed at the bank run be ilrawn at will, geld, gedeponeerd in do bank, kan er naar believen worden uitgehaald ; —ary. s. bewaarder; —ion. (depozti'n), s. afzetting, verklaring onder eede; —or. a. in-bewaring-gever, inlegger (in een Bank); —ory, 8. bewaarplaats.

Deprav ation {dei>ravet£'n), 8. bederf (van zoden), ontaarding; —e (dipretv), v. a. doen ontaai den; —Ity (diprtrviti), 8. verdorvenheid.

Depreca te (deprikeit), v. a. afbidden (b.v. van een oorlog); zeer betreuren ; —tion, s. afbidding; —tive, — tory, a. afbiddend; — tor, 8. af bidder.

Deprecla te (diivriëeit), v. a. te laag schatten, gering achten, v. in waarde verminderen; —tion, 8. vermindering (van waarde of pr^js), minachting.

Depreda te (depruleit), v. a. plunderen, verwoesten; —tion. (deprideté'n), s. roof, verwoesting; —tor, s. plunderaar, verwoester.

Depreaa (dipres), v. a. nederdrukken, ontmoedigen; the —NiiiK eflert* of a war; it —en trade, de nadeelige gevolgen van een oorlog; deze drukt den handel; —ion (dipreian), 8. nederdrukking, neerslachtigheid, gedruktheid; —ive, a. nederdtukkend, ontmoedigend ; —or, s. nederdrukker, nedertrekkende spier; —ioniat, pretbederver, feestverstoorder.

Depriv able (dipraifbl), a. beroofbaar; — ation, 8. herooving, verlies, ontzetting; —e, v. a. berooven, afzetten (of); —er, s. beroover.

Depth (cfapth), s. diepte, diepzinnigheid; lie wan out of (beyond) his—, liy had grond verloren; (tig.) wist zich niet meer te redden; iu tlie — of winter, in het middeu van den winter.

Depura te (depjureit), a. gezuiverd; —te, v. a. zuiveren; —tion, s. zuivering; —tory, a. zuiverend.

Deput ation (depjmeté'n), s. afvaardiging, (de) afgevaardigden; —e, (dipjüt), v. afvaardigen, machtigen.

llrputy (depjuti), e. afgevaardigde; I<ord—, koninklijk stedehouder, onderkoniug; — rliairiiian, vice-voorzitter; —governor, onderstadhouder; —judge, rechter-plaatsver-

vanger; — ineniber. gecommitteerd lid; in (by) —, bij volmacht.

Deraclnate («lirtrsiiieit), v. a. ontwortelen.

Derange (diretndg), v. a. storen, verwarren, het verstand krenken; hia mind (he) wan —d, by was malende, krankzinnig; —ment, s. wanorde, verstandsverbystering.

Derelict (der9likt), a. verlaten, onbeheerd; —, s. onbeheerd goed, ook: aangeslibd land; —ion, (deraliké'n), s. verlating, onbeiieerde toestand.

Deritle (diratd), v. a. bespotten; — r, 8. be* spotter.

Deriaion (diriz'n), 8. bespotting; to be a — to, de spot zUn van.

Herin Ive (diratziv), —ory, a. bespottend.

Deriv able (diratv'ld), a.afte leiden (froiu); an estate —able front an aucentor, een te erven landtroed van een voorvader; — ation, (denvets'n), s. afleiding; —ative, (dirtvativ), a. afgeleid, s. afgeleid woord; —atively. ad. bi.j afleiding; —e, (diralv), v. a. (front) afleiden, verbreiden; to—e a claim from. zijn recht, aanspraak ontleenen aan; v. n. afstammen (from); —er, s. afs tammer.

Derm (dvm), s. huidvlies; —al. a. de huid betreffend; —atology (dimatuladéi), weten* schap der huid en harer ziekten.

Deroga te (deroyeit), a. verbasterd, verlaagd; —te, v. a. verminderen (in kracht, waarde, aanzien), opheften, te niet doen, v. n. ontaarden, inbreuk maken (from); to —te a law, een wet schenden; to —te from honour. de eer schenden; —tion (deropeis'n), s. verkortiug, afbreuk, nadeel; in (to the)tlerogation of, ten nadeele van; — tory (dirO' gatari), a. benadeelend, verkortend.

Dervin (dAvis), s. derwisch (Turksche monnik).

Descant {deskant), s. sopraan, bovenstem, gezang, redevoering; — (disketnt), v. a. met variatiën zingen, breedvoerig uitweiden (u pon).

Denceii <1 (dasend), v. a. nederlaten, afklim* men, v. n. dalen, afdalen (to), nederdalen (on, upon), afstammen (from), overgaan op (on); to — into particularn, tot in bijzonderheden afdalen; — dant.s.afstammeling; —dent.a. afkomend, afstammend ; —dible.a. overgankelijk (by erfenis); —«ion, s. nederdaling, afneming, vermindering, ondergang; —t (derent), s. helling, landing, vijandelijke inval, herkomst, afstamming, nageslacht, overgang (by erfenis); of nohle —, van edele afkomst; the — of a roof, de belling (schuinte) van een dak; —«tlieory, de afstammingstheorie.

Descrlb able (daakraV'hl), a. beschrijfelyk; —e (diskraib), v. a. beschrijven; —er, 8. beschrijver.

Descrier (daskrat»), 8. uitvorscher, ontdekker.

Descrip tion (diskripê'n), 8. besclirijving; articles, persona, thinga of every —

tion van allerlei aard; —tive, a.

beschrijvend; —tive poetry, beschrijvende poëzie.

Sluiten