Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

». omwiiuinjr, ontduiking* — live —»ory, a. ontwijkend. ontduikend, bedrieglijk (een contract b.v.); -•orlutu, >. .luwheid, geslepenheid.

Klut e (eljüt), v.a. afwasschen; — riate v. a ^U°Sffen J ~~rla#lou Wjütrieii'n), s. doorKlvep (elva\ s. jonge zee-aal. ïïï i«in WM'n), a. Elyseesch, verrukkelijk, veldèï 1 Elyaium- <de) tlyseesche

E'""ci« ♦? «""Heit), a. uitgeteerd, vermaS!.a.; r ' V' a* u,trnerHrel««. doen vermaKeren, v. a. mager worden, uitteren; — tion {tmeifeii n), s. vermagering.

Kmniia ut {emgnsmt).a. voortvloeiend (frontV »e. v. n. uitvloeien, voortkomen (front)-' -"«» (emaneié'n), s. uitvloeiing; -tivè [emwnetiv), a. voortspruitend, uitvloeiend, ■^titaiiciita te Ummntipeit), v. a. bevrijden vru maken; —tion, s. bevrijding, vrUmaking;

'or; bevrijder, vrymaker; — tionist, voorstander van slaverny-afschafflng. Kniarffiitate [imóclzineit), v. a. ontranden. liiitaacula te (immsJcjüleit), a. ontmand; — *e, v. a. ontmannen; —tion (imeeskjuleii'u). • ontmanning, verwijfdheid. E",i*!e (»n»bet/), v- a. inpakken, verpakken. Kin halm {ambam), v. a. inbalsemen; -er, s balsemer. ' ' 1

Km ba nk, {ambnn,Jc), v. a. indyken ; — ment,

s. indyken, dyk, dam. fembar Omba) v. a. insluiten, verhinderen. Kmbarso (imbago), s. beslag op schepen. Kinbatk jmbafc), v. a. inschepen, v. n. aan boord gaan ; — in «n aflair, zich met eene zaak inlaten; — atiun, s. inscheping. Kmbarrass [smbwras), v. a. verleger, maken,

Einhans (imbett), v. n. slechter maken. Kmltn««y [tmbati], s. gezantschap.

Kmbattfe Ombret'l), v. a. in slagorde scharen«, a. van schietgaten voorzien, in slagorde geschaard ; —field, slagveld.

Kin bed (amber/), v. a. in een bed (eene bedding) leargen, bedelven.

EmbellUh (9mbelié), v. a. verfraaien; -ment

s. verfraaiing. '

Kmber (emba), s. quatertemper; —«lay, Aschadventsvogel, noordsclie duiquatertemperweek; —s,s. heete asch; Ijle , I«»t de laatste levensvonk. 1.1 v. a. toevertrouwde goe-

deien vei duisteren (verbrassen); —ment s ontvreemding; -P. s. ontvreemder.

versie" *'^'V* versieren'met ™Pens

v. a. met blazoenen

schilderen, opzichtig versieren ; —er s bla-

loeiischilder. versierder, lofspreker; —ry s

mSi""1' de (op

"SKIP <«*«»>»). ». zinnebeeld ; -atlc, -

oticnl, s. —nllcally, ad. zinnebeeldig Eiubody {imbodi), v. a. Inlijven.

ELU. — KMI.

Embolden (imbould'n), v. a. stout naken

aanmoedigen.

Kmboll.m (embalizm), ,. tusschenvoeginr

inlassching (van t(jd).

Kmbosa (imbor), v. a. gedreven werk maken

"enUTr"'' '■ h°0gU-

Ebottelen* {imLoVt)- T" a- °P flewchen tappan,

Embnwel (imbawl), v. a. ontweien, de in»

wanden uitnemen.

Ënibower (imbaui). v. a. In een prieel plaat-

«en, v. n. in een prifiel wonen.

Kmbrace (imbreti); -ment, s. omhelzing omarming; —, y. n. omhelzen, bevatten, insluiten, v. n. elkander omhelzen; —r,s. omneizing; —ry, s. poging om de rechters of gezworenen om te koopen.

Kmbrattnre (imbretz9), s. schietgat, uitstek l.mbrocA te [.embnkeit), v. a. betten. Inwril-

wrUfmiddê?." i«'Uv4.

I-.nilirolder («mftj-ofrt»), v. a. borduren - —er werk' ' bc"'duursteri —y. ». borduur

Kmliroll tambroil), v. a. verwarren, verleven

maken; (In) verwikkelen in. r.mbryo (embriou), s. onvoldragen vrucht, eeiste ontwerp; —, — nlc al;, adj. in onvolkomen toestand. i:...e»dn ble timevd'bl). a. verbeterlUk; J"»o«delf,l). f. verbetering; -tor emandettg), s. verbeteraar; —tory [37nenili! j9Ti)t a. verbeterend.

Knieraid (emsreld). s. smaragd; _ I,|«. Ierland (het smaragd-groene eiland).

vinP,tT••('"!ö"^,' v^"' °PrÜ«>n, opkomen, te vooiscliyn komen (from); —nee, —ncy ■

opkoming. onverwachte omstandigheid, toeval, noodzaak; —ncy •man, noodhulp; —ut, "end "e onverwacht, plotseling, drin-

Kmerited (imeritid), a. na volbrachten dienst

ontslagen, rustend, emeritus.

Kmeroids [em9ioidz), s. aambeien. II?/ s. te-voorscliyn-koming,

wederverschijning (eener ster).

Kmery [emtri), s. amaril; —paper,schuurpapier; —«wheel, slyprad.

'"'tVaakmldde*!' "" b"ki,,Sr rerwekk"4» "•

Kineu, Eniew (Imjti), s. kasuarls.

KmIcatlon femikctl'n), s. vonkellng. fc." ctlon (alM'»|, s. waterloozing.

"• uitwykend, verhuizend. s. landverhuizer; —te. v. n. uitwiikeu.

^veZizb"0" uitwUkln»,

Emlneu ce (eminam)-, -cy,«. verhevenheid, hoogte, uitstekendheid, eminentie; —t, a aJ- verheven, hoog, uitstekend, l'-in aaary (emiwri), a. verspiedendieaverspieder, geheime gezant, onderaardsch afvoerkanaal.

KofblHÏ l Ui.'Mndi»*• -

or bill», hond*, bankuotes etc.

Sluiten