Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EFI. — ERE.

Epiilermia frpUlümit), s. opperhoofd; bui-

toiinte schors.

Epigaatric (ephastrilc) a. onderbuik*.

Kpige e (epidzt), — uui,s. naaste punt by de narde.

F.piglot [aviglot), —»U, s. keelklep.

Epi|;rniii {epigram), s. puntdicht; —matle, —maticnl, a. als een puntdicht, stekelig; —matlat (epigrarmatiêt), s. puntdichter. Epigrapli [epigrcef), s. opschrift.

Epilep ay (epilepsi), s. vallende ziekte; — tic, s. ïyder aan vallende ziekte; a. lydend aan vallende ziekte.

Epilo gi*e, lepilortzaiz), v. n. korteiyk samenvatten, eene slotrede houdeu; —gue, (epilog), s. slotrede.

Epiphany (aptfani), 8. Driekoningendag. Epiaeop acy (aptskopasi), s. bisschoppeiyke kerkregeering; —al, a. bisschoppelijk; nliau {apiskopetiyn), s. episcopaal;—ate^. bisdom.

Epiaoü e (episoud), s. tusschenverhaal, episode; — ic. —icul [epi8odif([al]), a. als tusschenverhaal.

Eplat Ie (iptn'1), s. brief, zendbrief; —olary, u. briefswij/.e; —atyle, briefstyl; — olize, v. a. brieven schrijven.

Eplatyle (epistail), s. architraaf.

Epitapli (epitaf), s. grafschrift; —ian, b.v.

tot een grafschrift behoorend. Epithalamiuiu (epit/ialetmj'in), s. bruiloftsdicht. .

Epithet {epithat), s. toenaam, bijvoegsel. Epltoiu e (apttomï). s- kort begrip; — lat, s. verkorter; —ize (apttomaiz), v. a. een kort begrip maken, samenvatten.

Eporli (ep'k, ip'k), s. tijdperk.

Kpode (cpotul), s. slotzang.

Epopee (epopi), s. heldendicht.

Epulotlc (epjulotili), a. drogend, heelend. Eqtia bllity (ikwabtliti), s. gelykinatigheid,

gelijkvormigheid.

Kquabl e (ikicab'l), a. —y, ad. geiyk, gelyk-

moedig, geiykvormig.

Equal (ikw'l), a. —ly. ad. gplyk, evenredig, onverschillig, onpartydig; (to) gescliikt (bekwaam) tot; you are uot — to hiui, g\j zijt niet tegen hem opgewassen; — to a taak, berekend voor een taak; to light oi» — term*, vechten met gelijke kansen; —,s. gelijke, wederga; any —, m\jns gelijke; —, v. a. areiyk maken, evenaren; —altled, a. gelijkzijdig; —ity (ikwoliti), n. gelijkheid, gelijkvormigheid; —izatlon (tktvolizcti'w), s. gelijkmaking;—l*e, v. a. gelijk maken. Kquauiiu Ity (ikwantrmiti), s. gelijkmoedigheid; —OU», a. gelijkmoedig.

Kti nat ion (ikueti'n), s. vergelijking, equatie. Equator (iktcetta), s. evenaar,evennachtslijn; —lal, a. tot den evenaar behoorend; —lal current, equatoriaalstroom ; —lal wind», passaatwinden (=trade-win«la).

Equerry (ekicari), s. stalmeester. Equeatrian (ikicestrian), a. te paard zittend, ridderlijk; —atatue,ruiterstandbeeld; — performer, schoouryder (rijdster) hi een circus.

Equiangular [ikwiorngjtil»), a. gelijkhoekig. Equidiatau ee (t/rir«cï#*tew*).s.gei ij ke afstand;

-t, a. —tly, :id. op gelijken afstand. Equiforuiity (ikwiföamïti), s. gelijkvormigheid.

Knul I» te ral (ikwiltmtaral), a. gelijkzijdig. Equilibr ate (ikutlabreit), v.a. in evenwicht brengen; — atiou, —lam, s. evenwicht; — loua (tkirilibriam), a. evenwichtig; —lat (iktrtlibrixt), s. balanceerder, koordedauser; —Ity, s. gelijkheid van gewicht.

Equiu al (ikwatn»!), —e («ArtcaüO.a.paarden betreffend.

Equi iioctlal (ikwinoks'l), a. de nachtevening betredend; —uortlal galea, herfststormen; —, s. evennachtslijn; —i»ox (ikwitiokf), s. nachtevening.

Equiuuiuerant (iktciujAmarant), a. gelyktallig.

Equip li'ctcip), v. a. uitrusten; —age (ektri• pidf), s. uitrusting, kleeding, reisgoed, gevolg, rijtuig, scheepsbemanning; —ageü, a. wel uitgerust; —uieut, s. uitrusting. Equipoiae (iktcipoiz), s. evenwicht. Equipollcn ee (iktcipolant), s. gelijkheid van macht (kracht); —t, a. geiyk van macht (kracht).

Equipouder auce, [ikteipondarant), n. geïykheid van gewicht; —aut, —oua,a. geiykwichtig; —ate, v. n. even zwaar wegen. Equit able (ekwitab'l), a.; — ably, ad. billijk, rechtschapen, onpartijdig; —ableueaa, s. billijkheid, rechtschapenheid, onpartydigheid; —atiou, s. rijkunst, (het) paardrijden; —y, s. zie Equitableueaa; eourt of—y, billykheids (vrede) rechtbank; —y of redemptiou, zuiveringsrecht (l»y hypotheken). Equivaleu ee (ikwtvalann), s. geiykheid van waarde; —t, a. van geiyke waarde (kracht, beteekeuis), s. tegenwaarde, vergoeding, equivalent.

Equivoc al (iktctcoJc'l), a.; —ally, ad. dubbelzinnig; —alneaa, s. dubbelzinnigheid; — ate, v. n. dubbelzinnig spreken; —atiou (iktcivokeié'n), s. (het) dubbelzinnig (ontwijkend) spreken; —ator.s. dubbelzinnig spreker. Equivoke (elncivouk), s. dubbelzinnige uitdrukking.

Era [ir»), s. jaartelling.

Era«lia te (iretdieit), v. n. stralen schieten;

—tiou, s. straling.

Eracllca te (irtrilikeit), v. a. ontwortelen; —tiou (ir<siliketi*n), s. ontworteling, uitroeiing; —tlve, a. uitroeiend, in den grond genezend, s. middel dat in den grond geneest. Eraa e (ireiê), v. a. uitkrabben, doorhalen, slechten; —emeut, 8. uitwissching, doorschrapping, slechting; — Ion (treii'v), —<ure (ireiza), s. uitkrabbing, doorhaling, slechting. Ere (êa), ad. eer, vroeger dan;—long, ad. eerlang; —iiow, ad. voor dezen, voorheen; — wliile, ad. eenigen tijd geleden.

Ereet (irekt), a. rechtopstaand, fier, onverschrokken, pal; —, v. a. oprichten,hou wen, opheffen, bemoedigen; to — a perpeutlleular, een loodiyn oprichten; —, v.n. zich oprichten;

Sluiten