Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ERE. - EST.

—Ion. s. oprichting», bouwing, opheffing, be- I

moediging; — Ive, a. oprichtend, opbeurend; — ness, s. rechtopstaande houding; koenheid; I —op. s. oprichter, oprichtende «pier, bemoediger.

Eiemit e {erama.it), s. kluizenaar; — Ical, a. kluizenaars—.

Krept ion (irepi'ti), a. wegrukking.

Erica (iratkaU erika, heidekruid ; -fioim (eri>el#a*), tot de heide behoorende, heideachtig.

Kringo [irinvo), s. braakdistel, blauwe zeewortel.

Ermlne (Amin), s. hermelijn, hermelijn-bont; —d, a. in hermelijn gedost.

Kro «Ie (irouel), v. a. wegknagen, wegvreten; —«ion. s. wegvreting.

Erotic (irotik); —al, a. verliefd, wellustig, erotisch; —, s. minnedicht.

Err (»), v. n. dolen, dwalen, afwijken, zich vergissen; to — in lidman, to forgi ve divint*. dwalen is menschelijk, vergeven goddelijk.

Errand (erand), b. boodschap; to seml on an —, een boodschap laten doen; to lie sent on n fool's —, voor den mal worden uitgezonden; —boy, loopjongen ; — man, boodscliappenlooper; to rnu boodschappen doen.

Errant (erant), a.; — ly. ad. ronddolend, zwervend ; knight —. dolende ridder; —ry, s. rondzwerving, dolende ridderschap.

Erratic (erarlik); —al, a. —ally, ad. dolend, dwalend, ongeregeld.

Erratum (ereiCm), s. drukfout fpl. errata'.

Erroiteous (erounjas), a.;—ly, ad. dwalend, verkeerd, onjuist; —nes», s. dwaling, onjuistheid.

Error (era). 8. dwaling, misslag, abuis.

Erst (fist), ad. eerst, voorheen, weleer (= erstwlille).

Erubescen ce (crübes'iu), s. roodwordlng, blos; —t, a. roodachtig, blozend.

Erncta te (irnkteit), v. a. oprispen; —tioi» (ervkteii'n), s. oprisping.

Erudi te (erudait), a. geleerd, belezen; — tion. h. geleerdheid, belezenheid.

Ertiginous (arikdzinas), a. koperachtig.

Emp tion (irupé'n), 8. uitbarsting, uitslag, uitval; —tlve, a. uitbarstend, uitslag hebbend, —tlve lever, roosko^rts.

Ery si peins leriaipalas), s. roos.

Escalatie (eakaleidJ, s. beklimming met stormladders.

Escapade (eskapetd), s. zijsprong, misstap, uitspatting.

Escape (a*ketp), s. ontkom in?, vlucht, uitvlucht, vergissing, misstap, uitstapje; we liad a narrow —, wij ontkwamen ternauwernood; —goat, zondenbok; —, v. a. & n. ontgaan, ontsnappen, vermijden; that fact —d my

notlce ontsnapte aan mijn aandacht;

lie —d front prison, hij ontsnapte uit de gevangenis; —ment, s. échappement, drijfwerk (in een uurwerk).

Escarp (askap). v. a. glooiend maken; —ment, s. steile helling.

Escliar (eskd), a. korst (eener wond); —otic (etkarotik), a. schroeiend, s. brandmiddel.

Escheat (attjit), s. vervallen leeu; —, v. n. aan den leenheer vervallen.

Esrliew (artiü), v. a. schuwen, vlieden.

Escort (eakóat), s. geleide; —, [a*kó»t), v. a. begeleiden.

Escuage (eskjueidz), s. leenplicht tot krijgsdienst.

Escnlent (eskjulanl), a. eetbaar; —, s. eetbare waar.

Escntcheon {stkntS'n), ». wapenschild.

Esoterie («oterik), a. geheim.

Espalier (e*j-o*fja), s. leiboom.

E«pecial (arpea'l), a. bijzonder; —ly. ad. inzonderheid, voornamelijk; —ness, s, byzonderheid.

Espi al (espatal), s. bespieding; —er, s. bespieder.

Espionage (espjaneidz), s. bespieding.

Esplanade (<etplanetd), s. esplanade, irrasperk.

Etpous al (aspauz'l), a. eene verloving betrelfend; —als. s. verloving, trouwb-l «fte, trouwplechtigheid ; —e. v. a. huwen, verloven; (to) uithuwen; (to, witli) voorstaan, verdedigen; —er, s. verlover, huwer, verdediger.

Etpy iaspat), v. a. bespieden, afloeren, v. n. verspieden.

Esqnire (askwaia), s. schildknaap, zekere titel (Weledelgeb. Heer); b.v. H. Irving Esq.; —, v. a. als schildknaap dienen.

Esaay (esei), s. proeve, proefneming; — ast.s. schrijver van proeven.

Essay (aset), v. a. beproeven, essayeeren ; — er, s. beproever.

Estenre (esans), s. wezen, kracht, grondbestanddeel, beste gedeelte, reukwerk, geur-, —, v. a. welriekend maken.

Essenti al (asené'l), a. wezenlijk, hoofdzakelijk, gezuiverd; —al oil. oetherische olie; —al. s. (het) wezenlijke, aard, beginsel, hoofdpunt.; —ally, a. wezenlijk, onmisbaar; — ality. s. wezenlijkheid, hoofdzaak.

Estahlisli astteldii), v. a. vaststellen, vestigen, oprichten : a house of —ed credit» een solied handelshuis; —er. s. vestiger, in«teller; —ment. s. vaststelling, vestiging, oprichting, instelling, gesticht, inkomen, handelshuis.

Estalet [es taf et), s. renbode.

Estate {afteit), s. staat, rang, vermogen, bezitting, landgoed ; man's —, meerderjarigheid ; real —, grondeigendom; personal—, roerende goederen ; the —s of the realiu, de rijksstenden.

Esteem (astim), s. achting, waaideering; —, v. a. achten; oordeelen, meenen; waardeeren; (of) waarde hechten aan; —er, s. lioojjachter.

Esthetic eathetik), a. esthetisch; — s,s. schoonheidsleer.

EstIma ble (estimab'l), a. achtenswaardig; —hleness, «. achtenswaardigheid ; —te. s. schatting, berekening, begrooting; the Xavy —tes, de Hegrooting van Marine; —te (ettimeit), v, a. schatten; —tion, (et timet is'n),

Sluiten