Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blik, lonk, — glas*. oogglas, lorgnet, knijpertje ; —hole. oogholte ; — IanH, ooghaartje wimper; —let. oogje, lichtgat; — Iet-hole. nestelgat; —lid, ooglid; — ollending, OOgkwetsend; —pleasiiig, oogbekorend ; — Malve, oogzalf; — servnnt, oogendienaar ; —service, oogendienst; —shot, blik ; — slicht, gezicht; —sore, oogzeer; doorn in liet oog; —spottod, met oogen geteekend; —string. oogzenuw; —tootli, oog-tand; he

F. — FAC.

lias cut lila —teeth (or: hls wisdom-

teeth), lity weet zijn weetje; —water, oogwater ; — wink, oogwink ; — w ituess, ooggetuige ; —less, a. blind ; —r, s. naoogt* r, toeionker; —s, s. bril.

Kyot (ai»t). s. eilandje.

Eyre (és), s. rondtrekkend gerechtshof; .Instlces in —, rondtrekkende rechters; — of tlie forest. houtvesterij.

Kyry (atri) s. nest (van roofvogels).

F.

F («ƒ); F. A. 8., I'ellow of the Society of

Art«(Atitiqiiities) ,lid der maatschappij voor kunsten (oudheden); F. ■>., fidei defeusor. verdediger van het geloof; F. Ci. S., Fellow of the Geological (geologische) Noelety i F. R. A. 8., Fellov» of the Royal Geographicai (aardrijkskundig) Society; F. R. 8., Fellow of the Royal Society; fscp, fooi'* cap, zeker formaat van papier; f. o. b. free on board, vry aait boord; F sliarp = fis (muziek).

Fa (fd), fa (muziek).

Fabaceous (fsbeti's), a. boonachtig.

Fabian (fetbj,n), a. talmend, voorziciitig (naar Fabius Cunctator i. e. de draler).

Fnble [feib'l), s. fabel, verdichtsel; —, v. n. n. verdichten; lieiren ; —d giants. de reuzen der sprookjeswereld; —r, g. verdichter; fabelschrijver.

Fabrlc (farbrik), s. gebouw, fabriek, fabrikaat, maaksel, stelsel, kerkelijk fonds; woollcn —s. wollen goederen; clotli of a beautiful —, (=» maaksel); wasliiiig —s. stoften, die gewasschen kunnen worden; — ate, v. a. houwen, vervaardigen, verzinnen, smeden ; —ation, s. bouw, vervaardiging, uitdenking, —ator, —aait, s. vervaardiger, fabrikant.

Fabrlle (ftrbril). a. van timmerman, metselaar of smid, tot den handenarbeid behoorend.

Faltul Ist (fcfbjuliat) a. fabeldichter ; —oslty, —oiisiicss, s. fabelachtigheid; —ous, a. — ously, ad. fabelachtig; —ous age, de vóórhistorische tijd.

Fagade (fgsetd), s. voorgevel.

I'ace (feit), s. gelaat, aangezicht, voorkomen, uitzicht, toestand, voorzijde (b. v. van een wissel, kaart enz.); the — value, de nominale waarde (van een wissel, van aandeelen), stoutmoedigheid • — to —, onder vier oogen; to laugli in one's —, iemand in z^jn gezicht uitlachen; The Chinese are adepts In putting; a — upnii maiiy

things, zijn volleerd in het zich goed

houden (veinzen) b\j vele zaken ; to set oue'M — ngainst. zich verzetten tegen; to make —• to, gezichten trekken; he dare not otiow liis — there, hy durft zich daar niet vertoonen; la aheiii her — to- day ? heeft z\j haar „beau jour" vandaag?—rlglit

about, —! rechtsom, keert! to pull a long —, een lang gezicht trekken (fig.); to malte a wry —, een zuur gezicht zetten; he had the — to eliarge us, hij had de onbeschaamdheid ons te beschuldigen; to sliut the door in one's face, iemand de deur voor den neus dicht doen ; brazett —, onbeschaamd mensch ; sour—, zuur gezicht; to make — s, gezichten trekken ; —aguc, nangezichtspijn ; —clotli, lijkdoek ; —less, a. zonder gelaat; on beschaamd ; — painter, portretschilder.

Face [fee»), v. a. in het gelaat zien; gekeerd zijn naar, onder de oogen zien, omboorden, omslaan, versieren, bekleeden, (down) overbluffen, onbeschaamd staaude houden, (out) onbeschaamd beweren; to — o cnrd,eene kaart omkeeren-, to — an eiiemy. eenen vijand het hoofd bieden; to — the coiise<|ueiices, de gevolgen aanvaarden; —, v. n. huichelen; (about) van partij veranderen, omslaan, zwenken; —liig-point, wissel; —-guard, masker, mom.

Faceil (feitt), a. gevormd, van gelaat; bare —. onbewimpeld; bold—, hrazen—, onbeschaamd ; two—, met twee aangezichten.

Facet (/fruit), s. ruitje (van een' diamant).

Facetious (fyrié**), a.; — ly, ad. boertig, grappig, schertsend, geestig; —ness, s. boertigheid, grappigheid.

Faclal (feté'l), a. het gelaat betreffend; — anglc, geluatshoek.

Fncile (fms'l), a. gemakkelijk, buigzaam, inschikkelijk.

Facilit ate (futiliteit), v. a. gemakkelijk maken ; —ntlon, s. verlichting, bevordering; —y, s. gemakkelijkheid, vaardigheid, heuschbeid, inschikkelijkheid.

Facing (feisin,), s. voorzijde, belegsel, omboordsel, sieraad.

Facinoroii* (fgninaroi a. schurkachtig, snood; —ness, s. snoodheid.

Fact (feekt), h. daad, feit; In —, inderdaad, werkelijk; In the — (—act), op heeter daad; the — is. kortom; de zaak komt hierop neer; matter of —, wezenlijke zaak; a matter of —•man, een man van daden, een beslist man.

Factlou (fteki'n) s. partij, partijschap, ver-

Sluiten