Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FAN. — FAT.

werkje; —paper, luxe-papier; — inoitger. grilziek meascli; —«lek, ingebeeld ziek; —, v. a. zich verbeelden,houden van, liefhebben, v. n. zich verbeelden, meenen, houden voor.

Fane (fein), s. tempel, weêrhaan.

Fanfare [fttnf»), s. trompetgeschal; -on, b. snoever; — ouade [fjnfeermetd), s.pochery, snoevery.

Fang (fan,), s. klauw, slagtand; —ed. a. met tanden (haken, enz.) voorzien; —Iets,zonder tanden (haken, enz.).

Fangle IftDW'l), s. dwaze poging; —d, a. opzichtig, ydel, getooid, uitgedacht; new< fangled. nieuwbakken.

Fangot {fan\get), s. baal (200 h 950 ®).

Fanion (ftrnj'n), b. vaantje.

Fan nel tfontei), —on, b. armsjerp (eens mispriesters).

Fantasied [fantasie!), a. grillig.

Fantastic (fgntttstik), —al, a. — ally, ad. hersenschimmig, wonderlijk, grillig; —al* ness, s. zonderlingheid, wonderlykheid, grilligheid.

Fantaay (ftrnissi), s. inbeelding, verbeelding, gril.

Fan-tods (ftrntodz), landerigheid; he got the —, hy kreeg een gevoel van landerigheid.

Far (fd), a. & ad. ver, afgelegen, aanmerkeïyk, veel; by —, op verre na; — and near. naar alle kanten; — and wide, wyd en zyd; — ahout. ad. langs een' omweg, s. omweg, wydloopigheid ; —fetcli, kunstgreep; —fetched, vergezocht; — in years, hoog bejaard; few and — bet ween, zelden;— ofT, ver-af; so —, so good, tot dusver ging alles goed; as — back aa In the 19th centnry, zelfs tot in de 17de eeuw terug; —most, a. verst; —ness, s. verte, afgelegenheid.

Farc e (fds), s. klucht, kluchtspel, v. a. opvullen, stoppen; —Ical, a. — ically, ad. kluchtig, grappig; —y, s. paardenschurft.

Fard (f&d), v. a. blarketten.

Fardel (.fad'l), s. bundeltje, pakje.

Fare (ƒ<&), s. vracht, voerloon, spys, kost. passagier; blll of —, spyslyst, menu ; bill of —s, tarief (voor vrachtprijzen); —, v. n. varen, gaan, reizen, eten, zich voeden, gebeuren, zich bevinden ; he —«I llke hi« friend, het ging hem als zyn vriend; to — III (well), slechten (goeden) kost krygen; — you well! adieu! leef well

Farewell (fè»wdl), s. afscheid, vaarwel; to bid —, afscheid nemen; to bid — to,vaarwel zeggen aan; to take — of, afscheid nemen van; —, int. vaarwel!

Farinaceous (farineiê'g), a. meelachtig.

Farm (fdtn), s. boerdery, pachthoeve;—dog. boerenbond; —house, boerenwoning; —, v. a. verpachten, pachten, bebouwen; —able. a. pachtbaar, bouwbaar; —er, b. pachter; an " afternoon —er,** iemand, die van uitstellen houdt; —ery, s. boerdery; —ing, s. landbouw, akkerbouw.

Farraglnous (feererdéinas), a. gemengd.

Farrago (faretgo), s. mengelmoes.

Farrier (fttri»), s. hoefsmid, paardenarts;

—y, s. beroep van hoefsmid,paardenartsenijkunst.

Farrow (f«erö), *. jong varken, worp biggen j —, v. a. & n. biggen.

Fart (fdt), b. wind; —, v. n. winden laten.

Farther (/othp), a. & ad. verder; at the — eixl, aan het andere einde.

Farthest (fathitt), a. & ad. verst.

Farthlng (/dthtq), b. penning, oortje, een vierde penny; not worth a —, geen duit waard; she Is not worth a —, z.y bezit geen duit; he dldn't care a — for it, hij gaf er niets om.

Farthingale (fui\nn,(jeU), s. hoepelrok.

Fasces (ftftrz), ». bylbundel, bundelroeden.

Fascla (ftttv), 8. band, lyst, rollaag, zwachtel; —ted, a. ombonden, gezwachteld, met Kistwerk versierd; — tion, s. zwachteling» zwachtel.

Fascic le (ftvtWl), s. bundel, tuiltje ; — ular, n. bundelvormig.

Fascin ate (faesineit), v. a. betooveren, boeien; —ation, b. betoovering; —e (fasin), s. takkenbos.

Fasli (faS), v. a. & s. kwellen, vertoornen.

Fashlon (ftrs'n), s. fatsoen, vorm, maaksel, mode, smaak, manier, dracht; after the Dntch —, naar Hollandsche mode; to be out of —, uit de mode zyn; to become the —, mode worden; people of —, men6clien van stand; to go In —, zich naar de mode kleeden-, —monger, modegek; — prints, modeplaten; —, v. a. vormen, geschikt maken; —able, a. —ably. ad. fatsoeniyk, smaakvol; —er, s. fatsoen eerder; —ist, s. modegek.

Fast(ƒ<£#£), b. (het)vasten, vastentyd;tobreak one's —, ontbyten (to breakl'ast, to take breakfast) i —day, vastendag; —, v. n. vasten; —er, s. vaster ; —ing. s. (het) vasten; —day, vastendag; —ing, n. nuchter.

Fast (fdst), a. snel, vast, hecht, standvastig; —and loose, veranderlyk, bedrieglijk; to play — and loose, veranderlijk zyn, te kwader trouw handelen; he Is a — man, hy is een verkwister; — friends. „dikke" vrinden; hls watch Is —, zijn horloge loopt voor; —, ad. vast, snel, vlug, dikwyls; — by,

— beside, dicht by; —hamled, gierig; — en, v. a. vastmaken, hechten, v. n. zich hechten; to —en a quarrel on a man, met iemand een stryd aanbinden; —ener, 8. va9thechter; —ening, s. vastbinding, band; —ness, 8. vastheid, sterkte, vesting.

Fnstidions (fgêtidjat), a. —ly. ad. minachtend, trotsch, kieskeurig, walgeiyk ; —ness, r. minachting, trotschheid, kieskeurigheid.

Fastigiated (fdstidiieitid), a. spits, puntig.

Fastnons (fatrtju?*), a. trotsch, lioovaardig.

Fat (fat), a. vet, vleezig, dik, vruchtbaar; to live on (off) the — of the land,weelderig leven; van het vette der aarde genieten; als God in Frankryk leven; a — benefice, een vet ambt; —minds, domme lui; the

— Is In the flre, de poppen z^n aan 't dansen ; —brained, witted, dom; —, v. a.

Sluiten