Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Flane (flein), t. n. flaneer en.

Flank (flapte), s. zijde, flank, ribbestuk; —, ▼. a. in de flank vallen (dekken), bestrijken; ▼. n. belenden (nu) | —er, 8. flankwerk, flankeur, tirailleur.

Flannel (fltru'l), 8. flanel.

Flap ( fUcp), s. lapje, lelletje, klepje, pand,slip, rand (van een' hoed, enz.); oor (van een' schoen); klap, plak, sla? ; —dragon, zeker apel, waarbij rozijnen uit b.v. lieeten brandewijn of cognac worden gehaald ; —earpd. mft hangooren; —Jack,appelkoek; — iitouthed, met hanglippen ; —tabIe, klaptafel; —, v. a. klappen, met een' klap slaan; v. n. klapwieken, fladderend neerhangen (down), —pep, s. klepje, klap, waaier, herinneraar, maner.

Flare, (flS»), s. flikkerlicht; —, v. n. flikkeren, schitteren, verblind worden; to —iiito oiip'n face, iemand sterk aanzien; (ov«r) voorovervallen ; fliiring rolours. schreeuwende kleuren; Haring ribbon*, hooggekleurde linten.

Flash (flai), a. laag. gemeen;—, s.flikkering, straal, schicht, klets, klatergoud; for a —, voor één oogwenk; —of lightning, bliksemstraal; —laitciiiige flingo), dieventaal; — of wit, geest'ge inval; —, v. a. vlak raken, doen kletsen, doen opspatten (in het roeien), (on) werpen (licht); —. v. n. flikkeren, spatten, kletsen, kwinkslagen doen; the powder — ed in the pan, het kruit brandde in de pan af; het wapen ketste; (into) uitbarsten in, opkomen in ; (out) uitbarsten (into) in; (with) ontbranden in; —er, s. windbuil, klein vernuft, roeier; — "y. ad. —y. a. winderig, oppervlakkig, laf, gezocht, geestig.

Flank (flank), s. veldflesch, lcruithoren.

Flasket ( fUrstcjt), s. spijs mand.

Flat (flat), a.; —ly, ad. plat, liggend, flauw, verschaald, dof, gedrukt, (ook van prijzen), onverbloemd; in — defiance of the doctor'» orders, lijnrecht (vlak) tegen 's dokters bevelen in ; to lie — on the groiiml. plat op den grond liggen ; to give a — denial lrefu«al), kortaf weigeren; —despair. enkel wanhoop; to strike —, platslaan, pletten ; to grow 'to get) —, verschalen (van dranken); to fall — (zie: fall); — bottonied, platboomd; —denial, rechtstreeksche weigering; — and plain, ronduit; —long, -wiie, vlak, op zijn plat; that'A —, ...duidelijk zonder omwegen; a — alTair, een vervelende geschiedenis ; — race. wedren (zonder hindernissen); —, s. plat, (het) platte vlakte, ondiepte, praam, mol (in de muzi»k), sul; on the — ofone'w back, vlak op den rug; — nes*, s. platheid, lafheid, smakeloosheid, dolheid; —nest in trade. gedruktheid in den handel; —ten v. a. plat (vlak, flauw) maken, ter neer slaan; v. n. (vlak, dol), worden; — ter, s. planeerder, pletter.

Flatter, [flirt9), v. a. vleien; —er, s. vleier; — lng« a.; —lugly, ad. vleiend; —y,s. vleierij.

FLA - FLE.

Flatalen ee (.fltrtjuhm), -cv, s. winderigbeid. nietigheid; —t,a. opgeblazen, winderig (—t atyle. —t vanlty),

Flatii» (fleit»*), s. wind, adem, „boer."

Flaunt (fldnt), s. pronk; —, v. n. fladderen, pronken, zich onbeschaamd aanstellen.

Flavour (fletva). s. smakelijkheid, g®ur;— a. smakelijk (geurig) maken; — ed, —ons, a. smakelijk, geurig; —lees, a. smakeloos.

Flaw, (fl6), s. berst, breuk, vlekje, gebrek, rukwind, ontroerinsr, oproer, dwaugnagel; —, v. n. breken, knakken, schenden-, — les», a. vlekkeloos; —y, a. vol bersten, vlekkig.

Flax (JUeke), s. vlas; — brake,—break.vlasbraak; -conib, vlashekel;—dresser, vlashekelaar; — grower. —raiaer. vlasbouwer; —growing, —raising, vlasbouw ; —seed, lijnzaad; —weed, vlaskruid; —en, —y, a. vlassen, vlassig, blond ffla«en-haired).

Flay (flei), v. a villen, aftrekken; to be —ed alive. levend gevild worden; —er, 8. viller.

Flea ( flx). s. vloo; to have a — in one's e«r, zorgen, muizenissen lebben ; to be seut off (away) with a — in one's ear, afgescheept worden; to put a — in one's ear. iemand onaangenaam bejegenen, afschepen; —bane, —wort, vlooienkruid ;—bite, vlooiebeet, kleinn onaangenaamheid;—bitten, door vlooien gebeten, laag, verachtelijk.

Fleak (flik), s. vlokje, vlechtje.

Fleaiu {fltm), s. laatvlijm, lancet; case of —s. instrumentkist.

Fleek ( 'lek), —er, v. bespikkelen.

Fledge (fletlz), a. vlugs; —, v. a. met vederen (vleugels) voorzien.

Flee (ƒ/$), v. n. vlieden, vluchten.

Fleec e (fits), 8. schapenvacht; golden —, gulden vlies; —e, v. a. scheren, afstroopen, plunderen; —er, s. scheerder, uitzuiger; — y, a. wollig.

Fleer ( ffa), s. spotternij, valsche lach; —. r. n. spotten, valsch lachen; —er, s. spotter, vleier.

Fleet (fltt), 8. vloot, inham, kreek; —, a. — "y. ad. licht, vlug; —, v. a. afschuimen, afroomen, verdrijven (den tijd), v. n. verdwijnen, vervliegen; —ing, a. wegsnellend; — Ing-dish, vlootje, schuimspaan; —ness, s. vlugheid, snelheid.

Flesh (fles), s. vleesch: to gatlier —, dik, gezet worden; to piek the — off, het vleesch afknagen; it made my —rreep (ortcrawl), het deed my kippenvel krijgen; it is more

than — and blood can bear

's menschen natuur . . , — brotli, vleeschnat; —brush. huidborstel; —colour.vleeschkleur; —«liet. vleeschspijs; —lly, vleeschvlieg; —hook, vleeschhaak ; —nieat, vleeschspijzen ; —iiiouger, vleeschkooper; —side, vleesch kant; —tint*, vleesch kleuren; —wound, vleeschwonde; the —pots (of Gliypt), vleesclipotten, goed leven, welvaart; —ings, vleeschkleurig tricot; —iness, s. vetheid, logheid; — less.a. mager; — li ness. s. zinnelijkheid; —ly, a. vleescheiyk, zinnelijk; —y, a. vleezig.

Sluiten