Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FLE. — PLO.

Flew (/lu)t s. dikke snoet; — ed,a. dikmuilig.

Flex (flcké), v. a. buigen ; —animoiis. a. buigzaam van aard; —ibility (fle/csibViti), — ibleness. s. buigzaam luid; —Ible, a. buigbaar, inschikkelijk; — ile, a. buigzaam, toegevend; —ion. s. buiging; —op,9. tongspier; —uous. a. bochtig, onbestendig; —ure, s. buiging, bocht, boog.

Flieker (flike), v. a. fladderen, klapwieken : —m ou se, vleermuis.

I*lier [flats), 8. vluchteling, onrust (in een uurwerk); a high —, een hoogdraveud mensch.

Flight (flait), s. vlucht, zwerm, dracht (bereik), trapvleugel; to put to —, op de vlucht jagen; to betake one«elf to —. op de vlucht gaan; the Mareh —. het broedsel 'van vogels) In Maart geboren; the — of ages. de vlucht der eeuwen-, a — of steps, stairs, stoep, trap; —shot. hoogschotsafstand; — iuess, s. vluchtigheid, lichtvaardigheid t —y, a. vluchtig, wuft, lichtvaardig, ijlend.

Flimllaiii (flt)i\flem), s. poets, streek, beuzeling.

Films iness (fltmzin»*), s. dunheid, teederheid, zwakheid, geringheid; —y, a. dun, yI, zwak, gering, geesteloos, armzalig.

Fliitch (flini), v. n. wijken, terugdeinzen, zich

onttrekken aan (fromj, bv. lie in*ver <**.

froi.» «luty } —er, s. bloodaard, woordschender.

Flluder s (fltnchz), s. flenters, flarden; — mouse. vleermuis ; all in —s, alles in gruis.

Fling, [flirt,), s. gooi, smak, schimpscheut, zet: to have one's —, vrij zijn in zijn doen en laten; to have a — at, een steek onde: water geven.

Fling v. a. werpen, smijten, («t. down) ne derwerpen, verwoesten, (in) aftrekken, niei in rekening brengen, (oir) van het spoor brengen, (out) uitwerpen, verbreiden, voor oogen stellen, (up) opgeven, laten varen; —. she will — liiui over, ze zal hem laten loopen ; —, v. n. slaan, schoppen, spartelen, (at) slnan naar, steken geven, Inwayi zich terugtrekken, wegsnellen (out) achteruit slaan; —er, s. werper; stekelig mensch.

Flint [flint), s. vuursteen, kei ; — pieker*, steenkloppers ; n skin —, een vrek, hebzuchtige ; n lieart of —, een steenen har! r»n snre he wou ld «kin a —, hy zon zich stellig voor een duit laten villen; — glass, soort van kristal; -hearte<l,a. hardvochtig; —ware, Engelsch aardewerk; —y. a. keiachtig, hardvochtig.

Flip [flip), s. drank van bier, brandewijn en suiker ; —flap, geklikklak.

Flippen cy [fltp»mi), — tness, s. radheid van tong; snaakschheid ; —t, a. —tly, ad. rad van tong, snaaksch; —t tongue, gladde tong.

Flirt (flUt), s. snelle beweging, streek, poets, behaagziek meisje, lichtekooi; — silk, floretzijde; —, v. a. snel bewegen (werpen); (out uitflappen; v. n. (aboutj ronddartelen, heen ,

en weer dribbelen, steken geven (at), de behaagzieke spelen; slie was —ing her fan. zy zwaaide coquet met haar waaier ; — ation, s. snelle beweging, beliaagzncht, coquetterie.

Flit (flit), v. 11. wegvliegen, verhuizen, fladderen ; — tiness. s. onbestendigheid.

Fliteh (./li/é), s. zijde (spek).

Flitteriaioune l/Wtamum), s. vleermuis.

Fllx (flikg), s. dons, bont, vlashaar.

Float ( /lont), s. drijvend voorwerp, vlot, dobber, golf; —hoarri, schoffel (aan een molenrad) ; —boat, vlotschuit;—ground, slechte ankergrond; — stone. drijfsteen; —, v. a. onder water zetten, vlot maken; v. n. druven, dobberen; to — down the river, afdrijven ; —ed wond. vlot (dryf, hout; to

— o ff*. van stapel doen loopen ; —age. s. schuim, wat op het water drijft; —ages. s. zeedrift, wrakgoederen; —er, s. vlotter; zeiler, dobheraar; — y, a. drijvend vlot.

Floating tflontin). a. drijvend; —bridge, schipbrug; — liattery, drijvende batterij; —eapital, vlottend (rouleerend) kapitaal; —debts, vlottende schulden ; —doek. drijvend dok ; —liue, waterlijn ; —population. vlottende bevolking; —visions, hersenschimmen ; s. (het) dryveu; onderwaterzetting; — wiek, nachtpitje.

Floc cose (flo/coitf), a. wollig; — culeut (flokjuleitf), a. vlokkig.

Flock {./lok), s. troep, zwerm, kudde (klein vee), wolvlok, lok; —silk, vloszyde; —, v. n. toestroomen; to — togetlier, samenscholen.

Fine fflou), s. ysgang, dr'yfys.

Flog [floii), v. a. afrossen, geeselen;to — the (hour-)glass. den zaudlooper omkeeren ; — Uiuc. s. pak slagen.

Flood (flod), s. vloed, overstrooming, zondvloed ; a— of nioiiey,of sliares, of grief, of visitors, een massa (stortvloed, groote menigte).... enz.; —aurhor, vloedanker;

— gate, sluis, verlaat; —mark, vloedteeken; —tide, wassend ty ; —, v. a. overstroomen.

Flook (flük), s. ankerklauw, bot (visch) (zie lluke).

Floor (flos), s. vloer, verdieping; to take the —• het woord nemen in een vergadering; to have the —,het woord hebben; Freucli lor: inlald) —, parketvloer; first—,tweede verdieping; grouiid—, rez do chaussée, benedenverdieping; —clotli, vloerkleed; — timbers, onderbalken v. een vloer; thrash. dorschvloer; -—, v. a. bevloeren, op den grond werpen; that —ed hiiu, dat bracht hem totaal van streek; he —ed hlm tliree times running, hij wierp hem driemaal achtereen op den grond; —lug, s. bevloering.

Flop (flop), v. n. klapwieken.

Floral (fforsl), a. bloemen betreffend.

Floren ce (//oran*); —tine.s. Florentynsche zijde (taf), Florentynsche wyn.

Floreseence iflorwns), s. bloei, bloeityd.

Floret {flórgt), s. bloempje.

Florid (floriil), a.; —ly, ad. blozend, bloem-

Sluiten