Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FOK. — FOR.

geld, hosclirecht: -er. b. houtvester, boschw ach ter ; — ersliip, s. houtvesterschap.

lorentall v. a. vooruit nemen, voorkomen, opkoopen ; —er. s. opkooper.

Forentay, s. tokkestag; — mail, s. stormfok, voorstemrestagzeil.

Fore tack, #. fokkehals; —tncklc, s. sloeptakel ; —taekle-pendeiit, h. lokkemasthanger ; —tawte, s. voorsmaak.

Foretante (óstetst), v. a. voorproeven, een' voorsmaak hebben van ; —r, s. voorproever.

Foretell( (fóatel), v. a. voorzegen; v. n. profeteeren ; —er. s. voorzegger.

Forethink [ fö>l\\tnk), v. a. voorat'betleuken, een voorgevoel hebben van.

■•'ore s. vooroverleg, voorzorg; —

tokeu. s. voortei'ken.

I'orctdkcii [fóatouk'n), v. a. voorbeduiden.

Foretooth, s. voortand.

Foretop, s. kuif, fok ke mars.

For«'tn|i^»ll!Hit-iiin)it, s. voorbramsteng; —royal-iiin«t. g. voor-bovenbramsteng; — —royal-yard.s. voor-bovenbramra; — royal «nil. voor-bovenbramzeil; —royal-Mliroud* s, voor-bovenbramstengewant; —xhroudN, R. voorbramstengewant; —«nil, s. voorbramzeil; —yard, s. voorbmmra.

Foretop-mnst (fÓ9/oimd»t), s. voorsteng; —«Iiroutls, s. voorsteugewant; —staysail, s. voorstensrestagzeil.

Foretop [ffotop), —Hall, voormarszeil; — «ailyard, s. voortopszeilra; —yard, 9. voormarszeil ra.

Foretrysail-gafT, s. stormgaffel aan den fokkemast.

Forewaru (fÓ9irón), v. a. vooraf waarschuwen ; — iug, s. waarschuwing.

Foreyard, s. lokkern.

Forieit (f6afit), a. verbeurd; — s.verheurling, boete; to play at —8. pandverbeuren; the game of — s, het pandspel; to cry —s. de panden oproepen ; to pay the —. de straf beloopen; —, v. a. verbeuren; — ahle. a. te verbeuren; —ure s. verbeuring;

boete,

Forge, [fóids), s. smidse, ijzerhut; (het) smeden ; — v. a. smeden, verdichten, namaken ; to — coin, a hill. a nigiiuture, to — a word. een woord smeden; —r, s. smeder, verzinner, falsaris; —ry, s. smidswerk, vervalscbing.

Forget (fóayet), v. a. vergeten, verzuimen; —■•ie>not, vergeet-my-nietje; —f«l, a. vergeetachtig, onachtzaam ; —fulness, s. vergeetachtigheid ; vergetelheid ; —ter, s. vergeter.

Forgive (fóegiv), v. a. vergeven; to err Is huaiian, to — diviue, dwalen is menschelyk, vergeven goddeiyk; to — a debt, een schuld kwijtschelden; —ness, s. vergiffenis; —r, s. vergever.

Fork [fórk), s. vork, gaffel, punt, arm, vertakking; —flfth, zwaardviscli; —Itead, pyipunt, gewei; — tall, vierjarige zalm; —, v. n. in twee takken (armen) uitloopen; —ed, n. —edly, ad. —y, a. gaffelvormig, gespleten.

dubbelzinnig; — edness,s. gaffel vormigheid; to — out nioiiey, geld opdokken.

Forlorn (folön), a. verlaten, hopeloos; — hope. verloren bende, een troep soldaten voor een gewaagde onderneming; — ne*«, ^s. verlatenheid, hopelooze toestand.

Forui (_/ó«?m), s. vonn, uiteriyk, gedaante, zitbank, schoolklasse, leger (van een' haas;; bad (good) —, slechte (goede) .smaak; to be in gootl (bad) —,op dreef (niet op dreef)zjj 11; lor —*• sake, om den vorm; a tliird —boy, een jongen van de 3de klasse; —, v. a. vormen, formeeren, v. n. zich vormen, zich formoeren ; to — a square, een carré vormen, — a society, een vereenigitig oprichten.

Foriunl (fö&m'ï), a. ~ly, ad. vormelijk, uiterlijk, stijf, uitdrukkelijk, stipt; — ist, s. slaaf van vormen; —ity, (Jjma-lik). s. vormelykheid. uiterlijkheid, plechtigheid, stiptheid; —Ise, v. a. vormen, wyzijren, v. n. zich deftig (gemaakt) aanstellen, van uiterlijkheden houden.

Forniation (fameiü'n), s. vorming; —ive, a, vormend, «. afgeleid woord.

Fornter (/dam?), s. vormer, maker.

Former (ƒ«#«*/»<?), a. vorig, eerstgenoemd; — ly, ad. vroeger, eertijds.

Formication (fóïtniketé'n), s. krieuweling (op de huid).

Formida ble (fóamideib'l), a. —bly, ad. vreeselyk, geducht; — blenesn, s. vreeselykheid.

Foruiless 'Jiiamte*), a. vormeloos.

Formula [Jöamjute), s. voorschrift, formule, —ry, a. voorgeschreven, vormelijk, s. formulierboek).

Fornicn te (fóanikeif), v. n. hoereeren; — tion, s. overspel, boogwelving; —tor, s. —tress, b. overspelige man, — vrouw.

Forsake (Jójsetk), v. a. verlaten, verzaken; —r, s. verzaker, afvallige.

Fornay {fÓ98rt), v. a. verbieden.

F«»rsooth (fÓ9*uth), ad. waarlijk, inderdaad.

1'oriwear \fÓ9Stcè»), v. a. by eede ontkennen, afzweren, n. valsch zweren; to — onene If, een meineed doen; —er, s. meineedige; to be ^ot-sworn, meineedig zyn.

Fort (fÓ*t), s. sterkte, fort.

Forte (/dato), s. sterke zyde; — d. a. versterkt.

Forth (f6»th), ad. voort, voorwaarts, buiten, te voorschyn ; —, prp. uifc; to set —, in het licht geven; and so —, en zoo voorts; — coming, gereed om te verschynen;—«issuIng, voor den dag komend; —right.a, rechtuit; —witli, ad. op staanden voet, aanstonds.

Fortieth (fÓ9tisth), a. veertigste.

Fortif iable (füatifjib'l), a. versterk baar; —icatioii.s. vestingbouwkunde, vestingwerk, verschansing; —Ier (fó»tifaia), s. versterker, aantnoediger; —y, v. a. versterken, aanmoedigen.

Fortitude (ffotitjiul), s. moed, kloekmoedigheid, kracht.

Fortnlght (föatnait). s. veertien dagen; this day—, heden over (voor) veertien dagen.

Fortress {fóatrgs), s. sterkte, vesting.

Sluiten