Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRA. — FRE.

moedsgesteldheid; — knltter, kousenwever; —aiiw. trekzaag, spanzaag; — work, raamwerk, ïy-twerk.

Fram e (freim), v. a. In eene lyst zetten, van pas. maken, inrichten, vortnen, maken, uitdeuken, ontwerpen; —er. s. vervaardiger, ontwerper; —Ing, s. samenstel I ing, schikking, opvatting, timmerwerk, omtrek.

Fratupold (framp» ld), a. knorrig, gemelijk.

Franc (Jtanjc), s. frank (geldstuk).

Franchise (frarntii;), s. vrydom, voorrecht, vry terrein (district); —, v. a. vrijdom verleenen. vry stellen, vry maken; —ment, s. vrystelling.

Frnnciscan (frantUk'n), s. Franciscaner

monnik.

Frangi bility (frandgibiliti), s. breekbaarheid; —ble. a. breekbaar, broos.

Frank (franje), a.; —ly, ad. vry, mild, openhartig, vry van kosten ; —, s. Frank, gefran- , keerde brief, varkenskot; —, v a. t ran kieren, j opproppen, vetmesten; he lives in the — ing world, hy kan zijn brieven ongefran- , keerd verzenden; — lin. s. bezitter van een vry goed; —nes», s. openhartigheid.

Frank-almoign ( frar^k»lmt»tn), s. kerkgoed.

Frank bank (frmn,k-lKen,k), s. weduwgoed ; j —rhase, vrije .jacht; —farm, vry pachtgoed; —fee, — tenenient, vry leen; — fold. drift- I recht; —in een se, wierook; —law, wettig recht; —marriage, goederen-substitutie door huwelyksverdrag; — pledge, borgtocht van een' vry burger.

Frantic (frtwnHk), a.; —ly, ad. razend, waanzinnig (— withjoy, with anger); -neii, s. razernij.

Frap (frttn), v. a. sjorren (b. v. to — a tackle); to — a drum, eene troin spannen.

Frappish (frarpii), a. morrend, kniezerig.

Fratern al (fr»lAn'l), a. — ally, ad.hroederïyk; —Ity, s. broederschap; —ization, s. verbroedering; — ize, v.n. broederlijk leven.

Fratricide (Imtritaid), s. broedermoord, broederinonrder.

Fraud (fród), s. bedrog; — ful. a. — fully. ad. bedrieglyk; — ulence.s. bedrieglijkheid; —ulent, a. — nlent conveyance, valsche post (hy een banknoot); —ulently, ad. bedrieglyk.

Fraught (frót), a. bevracht, geladen, vol (with); — with sin, belast met zonde; — with meaiting, vol zin, beteekenis;—age. b. vracht.

Fray (ƒrei), s. gevecht, ruzie, moet (in stoffen enz.); —, v. a. verschrikken, wryven: v. n. slyten; a —ed collar, een at'gerafeld boord jp.

Freak (frik), s. gril, nuk; —, v.a. spikkelen, bont maken; — ish, a. — ishly, ad. grillig , —Ishness, s. trrilligheid.

Freckl e ( freJc'l), s. sproet, vlekje; —e, v.a. sproetig maken; v. n. sproetig worden; —ed, —y, a. sproetig, vol vlekjes.

Free (ƒ»*!), a. — ly, ad. vry, vry moedig, gemeenzaam, ongebonden, mild; (of)— bench. weduwgoed; —on board (zie Doard); — I

booter, vry buiter; —booting, vrybuitery; —born. vrygeboren; — bottoma uiake — good, vry schip, vry goed; — chapel, byzondere kapel; —cost, vrydom van onkosten; —denizen, vrijburger; —figlit, algemeen gevecht; —footed, onbelemmerd; — front average, vry voor beschadiging, averij ; — hearted, gul, openhartig ; — hold, vrij goed ; —hold eatate, onbezwaard landgoed ; — holder, bezitter van een vry goed; —man, vry man, poorter; —mason, vrijmetselaar; —utasoiiry, vrijmetselary ; — minded, onbeschroomd, onbekommerd; —port, vrijhaven; —public liliraries, kostelooze volksbibliotheken; — school, vryschool, armenschool; —spoken.—tongued, rondborstig; —stocks, wihle gewassen; — stone, hardsteen; —tliinker, vrydenlcer; to be — of a compaiiy, lid zijn van..,.; to be — of a city, het burgerrecht eener stad bezitten; —-ti-aile, vry handel; —warren, vrye jacht; —will, vrye wil, vry willigheid; —woinan, vrije (niet-lijfeigene) vrouw; he was made — of a city. hem werd het eereburgerschap eener stad aangeboden.

Free, v. a. bevryden, vrystellen, vrQ maken; to — a prisoner, a slave, een gevangene, een sl.-iaf bevrijden; —dom, s. vryheid, vrydom, voorrecht; the —dom of a city, het eereburgerschap eener stad to speak with —dom, yrytnoedi? spreken; —r, s. vramaker, bevryder; —ness, s. vryheid, openhartigheid; a —and-casy, een café-chantant.

Freed (frid), a. vrijgemaakt; —man, vrygelatene.

Freez e (fris), v. a. doen bevriezen, v. n. vriezen, bevriezen; 1113* blootl froze in my ▼eins, het bloed verstylde (stolde) in myn aderen; —ing point, vriespunt; a freezeont, bedrog.

Frelght (freit), s. lading, vrachtprys; by slow —, als vrachtgoed: blll of—«vrachtbrief; —waggon, goederenwagen; —age, vrachtsom, tonnegeld; —, v. a. beladen, bevrachten ; to — out and home, voor de uit- en thuisreis bevrachten; —er, s. bevrachter.

French (fr^ni), a. Fransch; — beau, snyboon; — cltalk, teekenkryt, meerschuim; — cowslip. sleutelbloem; — di«e»se, — po*, spaansche pokken; to —polish, politoeren; —gram mar, onzin, mallepraat; — hom, waldhoren; —niarigold. fluweelbloem, pioen; to take — leave, met stille trom (met de noorderzon) vertrekken, een Fransch compliment maken; -men.Franschen; the —, de Fransche natie (de Franschen); he is —, he is a — man, hy is een Franschman; —Ify, v. a. vertranschen.

Frenetic ( franc tik), a. waanzinnig.

Frenzy ( frenzi), s. waanzin.

Freqnen ce (frikw»n*), s. menigte, samenloop; —cy,s. herhaaldheid, menigvuldigheid, toevloed; —t. a. gedurig, menigvuldig; —tly, ad. iredurig, dikwyls.

Frequent (frikwent), v.a. dikwyls bezoeken,

Sluiten