Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GAZ. - «EO.

ren; — ful, a. starend ; — r, s. aanstaarder, 1 beschouwer.

Gazelle (gtzel), s. wilde geit.

Cnzette U/ezef), s. officieel nieuwsblad, de Staatscourant; to get into the —, faillietgaan. —t v. a. in het staatsblad plaatsen; to be —d, bevorderd worden ; —er (\jaz9tia), s. schrijver (uitgever) van het nieuwsblad; aardrijkskundig woordenboek.

Gazing (geizii\), s. (het) aanstaren; — stock,

wonderding; iemand die nagewezen wordt. Gnzon (tjazon), s. graszode.

Gear {pi*), s. kleeding, gewaad, tuig, gareel; kardeel; head —, kapsel; flslilng—, visclitnig; connecting—, toest l tot overbrenging der beweging in machines; to throw out of—, uit de gier lichten, in de war brengen; —capstern, enkel spil; puuip—, pomptoestel; —, -v. a. optuigen.

Geek {gek), s. bedrogene ; —, v. a. bedotten. Geeae (i/w). s. pl. ganzen.

Gelable (dzelib'l), a. bevriesbaar.

Gelntln (dielgtin), a. geleiachtig ; —, s. geleistof; —ate [dzilmtineit), v. a. & n. tot gelei maken (worden); —oui,a. geleiachtig ;

— (ma, 8. siymdieren.

Geld (veld), s. schatting, vergoeding.

Geld ((jttld), v. a. lubben, verminken; —er,

8. snijder; — iug, s. ruin, gesneden dier. Gelid (dzelid), a. ijskoud ; —ity, (dzaliditi),

—ut* •«. s. groote koude.

Gean (dzevn,, s. juweel, knopje; —, v. a. met

juweelen versieren; v. n. botten.

Gemel (diem'l), ». paar; — ring, gespleten

of dubbele ring.

Geitiiii ate, (dzemineit), v. a. verdubbelen ; —ation, s. verdubbeling; —I, s. (de) Tweelingen ; —oiin, a. dubbel.

Geiuiu ary (dzeman), s. juweeldoosje ; —e-

oua, —y, a. juweelachtig.

Cüender (dzend.>), s. geslacht (in de spraakkunst); —, v. a. telen, veroorzaken; v.n. paren. GeiiealogiettI [dzenialodzik" l), a. geslachtrekenkundig.

Genealog Int (déanitefgdzist), *. geslachtsrekenkunde; —y, (dienia-lodzi), s. geslachtsrekenkunde, geslachtsrekening. Generable, (dzendrab'l)% a. teelbaar. Geueral (dzemrsl), a. algemeen, onbepaald; s. het geheel, het algemeen, generaal; in

- (-ly). in (over) 'talgemeen; — in-clilel', opperbevelhebber ; —order, (mil.) dagorder; —inwimo (dienarcelirimou), s, opperveldheer; —Ity {dz'nsrwliti), s. algemeenheid; grootste gedeelte; - Ization (dieiiaralizeti'n), s. algemceninaking; —Ize, (dzeii»r»laiz), v. a. algemeen maken ; —ly, ad. gewooulyk; —«hip, m. generaalschap, veldheerstalent.

Genera ut (dieiiarint), s. voortbrengend vermogen ; —te, v. a. telen; voortbrengen, veroorzaken; —tlou (diengreii'n), s. voortteling, geslacht; —tlve, a. voortbrengend, vruchtbaar; —tor, s. teler, voortbrengend vermogen, stoomketel.

Generlc (idémcrik), —al, a. — ally, ad. het geslacht betreffend, geslachte—.

Generoeity (dzen9ro*iti), s. edelmoedigheid, mildheid.

Generoua (dzenarar), a. — ly, ad. edel, edelmoedig, mild, krachtig, moedie.

Genesis (dzeu9*i*), s. Genesis teerste boek van Mozcs).

Genet (dzanei), s. Spaansche hit, civetkat, bremstruik.

Geneva (dianica), s. jeneverbes, jenever, Genève.

ft en iaI (dzinial), a. — ly, ad. bezielend, vrool\jk, aangeboren, geniaal: — power, voortbrengende kracht; — spirit. levensgeest.

Geuiciila te {dZ9Vth.inleit), a. knievormig, knoestig; —tion, s. knoestigheid.

(■enit nl (dzevital), a. van de voortteling; —als, s. teeldeelen; —Ive, a. telend, s. genitivus (tweede naamval); —or, s. teler, vader; —ure, s. geslacht, voortbrenging.

Genius dzinivt), s. genie (pl. geniuses (dziviofiz), bescheimgeest, schutsengel (pl. genII (dziniai); a rare —, een zeldzaam

genie ; lie haa a — for piiintlng

talent (smaak) voorde schilderkunst; —loei. beschermgeest, esprit de corps; the — of war, kri.igstalent.

Genteel (dzanfil), a. —ly, ad. wellevend, innemend, lieftallig, wel gekleed ;—manners, beschaafde manieren; —company, de „bon ton", beschaafd gezelschap;—drens, smaakvolle kleeding; — ness, s. wellevendheid, bevalligheid.

Geiitlan (déenSsn), ». gentiaanwortel.

Gentil e (dientail), a. heidensch, tot een volk behoorend, s. heiden; — Isn», s. heidendom; — itious, a. aan een volk (geslacht) eigen, erfelgk; —ity, s. fatsoenlijke geboorte, wellevendheid, heidendom; —ize, v. n. als een heiden leven.

Gentle (dient* l), a. van goede geboorte, zacht, vreedzaam; hoth — and simpte, zoowel edelman als boer, zoowel hoog als laag; — liirth, fatsoenlijke afkomst; — folks, de adellijke stand; —man, man van eer, heer; great landetl —man, grootgrondbezitter; tlie old —man, de duivel; — mau-uaher, aandiener (aan hoven) —uiaiilike,—inanly, a. wellevend, van een' gentleman; —manliness, s. wellevendheid; —ness, s. fatsoenlijke afkomst, zachtaardigheid; — woman, vrouw van geboorte, dame.

Gently (dientli), ad. zachtjes.

Gmtry (dientri). s, middelstand.

Geuullexlon (dienjvjteki*n). s. kniebuiging.

Genuine (dienjuin), a. — ly, ad. echt, onvervalscht; —ness, s. echtheid.

Genus (diinax), s. geslacht.

Geocentrlc (dziorentrik), a. gelijk middelpuntig met de aarde.

Geode (diioud), s. aardsteen; —ey (diiadati), s. landmeetkunde.

Geog nosy (dito(nia*i), s. kennis der bergschichten of aardlagen, bergkunde; —ony, s. leer van de wording der aarde.

Geograph er (dziourafv), «.aardrijkskundige; —ical, a. — Ically, ad. aardrijkskundig;

Sluiten