Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRA. — GUE.

aangenaam, aannemelijk; — ness, s. dunkbaarheid, aangenaamheid.

CWrater (gretta), s. krabber, rasp. Gratification (gratiflkeii'n), s. bevrediging,

genoegen, belooning.

«ratlly (gra-H/ai), r. a. bevredigen, genoe-

gen doen, beloonen.

«rating (i/relfin), n. —ly. ad. krassend, kren-

kend; —, s. traliewerk, roosterwerk.

Gratis (gveiti»), ad. om niet, pratis, kosteloos. Gratitude (grtrtitjud), s. dankbaarheid. Gratuit ons (gratjAitos), a. — ously. ad. vrijwillig geschonken, ongegrond ; —out rel lef, koste looze (gratis) ondersteuning; —v, s. vrijwillige gift. ' "

Gratula (e (gra-tjuleit), v.a. gelukwenschen; —tloi», s. gelukweusching; — tory, a. gelukwenschend.

Grave (greiv), s. graf; -clothes.doodskleederen, lijkwa; —«ligger, doodgraver; — ■iioiiimI, graf hemel; —stone, grafsteen;

yard, begraafplaats : —lens, a. onbegraven; —, v. a. begraven, graven, graveeren. Kalefateren, v. n. graveeren; —r,s. graveur, graveerstift; —u, gegraveerd.

Grave (greiv), a. —ly, ad. ernstig, deftig, stemmig, zwaar (van toon), donker (van kleur); —ness, s. ernstigheid, deftigheid, stemmigheid.

Gravel (grtrv'l), s. grof zand, grint, graveel; —pit, zandkuil; —walk. grintpad; —, v.a. met kiezelzand bestrooien, verlegen maken; : —ly, a. zandig, grintig.

Gravld (grtrcid), a. zwanger; —Ity, s. zwangerschap.

O ra vi meter (gravtmat»), s. zwaartemeter. Graving (greioin), s. snijwerk, indruk; — «lork, droog dok, havendok; —tooi, graveer-

Gravlt ate (graviteit), v. n. zwaarte hebben, naar het middelpunt (van zwaartekracht) hellen; — ation, s. zwaarte, zwaartekracht. C-ravity (graviti), s. zwaarte, zwaartekracht, ernstigheid, gewichtigheid ; npeciflc —, soor- I teltfk gewicht; centre of —, zwaartepunt. ' Gravy (greivi), s. vleesclinat, jus. !

Gray (grei), s. grijs dier (paard, das, zalm); —, a. gr^js, grauw, vaal; — beard. grijsaard ; —broek, das; -ryed, met grijze ooiren ; — fly, brems ; —frlar. Capucijner; "the — mare" (vulgar), de vrouw; — Ish, a, grauwachtig ; —liug, s. omber (soort van zalm); —ness. s. grauwheid.

Graze (greiz), v. a. weiden, doen grazen, afweiden ; strijkelings raken ; v. n. grazen, gras geven, strijkelings raken; —r, s. grasetend dier.

Grazler (greiz»), s. vetweider.

Grease (grin), s. smeer, vet, moek ; let hlin stew In hls own —, laat hem in zijn eigen vet gaar koken.

Greas e (grif), v. a. smeren, omkoopen; — ■nes», s. smerigheid; —||y ad. —y a vet smerig. * '

«■reat (greit), ». groot, gros; by the —, in het groot, bij massa; —, a. groot, aanzien-

! jJjK» z*anK®r. drachtig, (witli) vertrouwej lUk. vriendschappelijk (wlth); a — deal. veel; —bom, van goede afkomst; — eoat, overjas; — grandfather, overgrootvader; -«-graiidson. achterkleinzoon; —hearted! hooghartig, onverschrokken ; — horse, ma' négepaard; to rlde tlie — horse (lig.), doordraven, op het paardje zitten; —seal. grootzegel ; —ly, ad. grootelijks ; —ness, s. grootheid, aanzien.

I «renten, (ptrlfn), r. *. veigrooten, v. n I grooter worden.

Greave». (gricz). ». been- of scheenplaten

drab van gesmolten talk.

«re elan (grifn) a. Grieksch; s. Griek- — clsm, s. Grieksch taaleigen; —clze, v'. a. in het Grieksch vertalen; v. n. Grieksch vertalen^ v. n. Grieksch spreken.

®p®® (gri)> "• welwillendheid, gunst, overeenkomst, trap, trede.

Cree>d Iness (gridinat), s. gretigheid ; gulzigheid ; — lly, ad. —y, a. gretig, gulzig; —y gut. 8. slokop.

•■reek [grik). s. Griek, Grieksche taal- a merry —, een vrooiüke snaak: —, a.Griek»ch; —lire, Grieksch vuur, llengaalsch vuur; — PO*T', koekoeksbloem, vuurbloem; —Ish. a. Grieksch; — llng. g. brekebeen in het Grieksch.

Green, (grin), a. —ly, ad. groen, frisch, versch, onrijp, bleek, onervaren; a —back Amerikaansche banknoot; — broom stekbrem, — elialFer, groente; —cheese! groene kaas ; to make one belleve that the moon Is made of —cheese. iemand knolleu voor citroenen verkoopen ; —cloth, gerechtshof voor het koninklijke huis- — coloured. ziekelijk uitziend; -corn.te veld staand graan ; — eyed, jaloersch ; — linch. groenvink; — gage, reine-claude (pruim); — grocer, groenboer; —hand. onervarene, groen ; — liastliigs, vroege peulen ; —hlde, ongelooide huid; —hom, groentj", melkmuü; —house, oranjerie; —old age, frissche, krachtige ouderdom; —peak, groenspecht; —room, koffiekamer, kleedkamer (in een schouwburg); — slcknesw, bleekzucht; —stall, groentestalletje; -sward. grasperk ; —weed, wouw, verfkruid : — wood, pas gekapt hout.

Green (grin), s. groen, grasperk; — s, g. groente ; —, v. a. groen maken; — ery, s. groen, loof; —Ing, s. groenling (appel); — ,a*. ?roenachtig; —ness, s. groenheid, onrijpheid, frischheid, nieuwheid ; —th, het groen.

Greet (grit), v. a. begroeten, groeten, gelukwenschen; v. n. groeten; —er, s. groeter: —Ing, s. groet, begroeting.

5"pe**e (O^iz), «. opgang van een trap. Greffler, (grefja), s. griffier.

Gregarl an lgrigê»rjan), a. gewoon, gemeen; ons, a. —ously, ad. in kudden (zwermen, enz.) vereenigd.

Ci rem lal (grimjal), s. Roomsche-priestergewaad; a. den schoot betreffend.

Sluiten