Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(•rcimde (graneid), R. granaat, handgranaat.

Grenadier fgrewdi»), s. grenadier.

Grey (grti), a.; —lioiiiid. windhond, (zie Gray): tlie — mnre ia the better horie.

de vrouw r"geert den man.

Griddle (grld'l),». koekenpan ; —cake, panne-

ko-k.

Gride (graid),v. a. sneden, doorboren, knarsen.

Gri«liron (gridaipn), s. braadrooster; —pendn In in. compensatie-slinger.

Griel' (grit) s. kommer, droefheid, hartzeer, grief; to clie for —, van verdriet sterven; t« come to —, aan lager wal geraken, bouwvallig worden, fiasco maken; —shot, —woi-ii. door hartzeer verteerd.

Ciricv nble (griv'bl), a. beklagenswaard; — ance, s. verongelijking, grief; —nnoemonger, mopperaar; —e, v. a. grieven, bedroeven, v. n. zich bedroeven, treuren (at, for); —er, griever, oorzaak van kommer ; —ingly, ad. met droefheid ; —ous. a. —oui< ly» ad. grievend, bedroevend, bezwarend, erg, afschuwelijk; -onmiemi, s. grievendheid, smartelijkheid, drukkend gewicht, ramp.

Grifliti (grif'n), Gritton s. griffioen.

erig ( iirig), s. katual, peuraal, vroolyke snaak; as merry as a —, zoo vrooi Uk als een vogel.

Grill (gril), v. a. op den rooster braden; — ade. s». roos tergebraad; —age, s. rasterwerk ; — us, s. vitrioolzout.

Grim (grim), a.; — ly, ad. grimmig, afzichtelijk; —faced, grimmig, norsch; — griiining. grijnzend; —nes», s. grimmigheid, afzichtelijkheid.

Grimare (grimeiê), s. gelaatsvertrekking.

Gi-imnlkin (grimatlk'ii), s. oude grijze kat, oude feeks.

Grime (graim), 8. ingeworteld vuil; —, v. a. doen vervuilen, bezoedelen.

Grln (grin), s. grijns, gemaakte lach;—, v. n. grijnzen (at, on); -ner, s. grijnzer.

Griu«l (graind), v. a. & n. malen, vergruizen, slijpen, verdrukken, knarsen ; to — tlie face* of the poor, de armen onderdrukken ; to — one's teeth. knarsetanden ; —er. s. maler, slijper, baktand, maaltand, verdrukker, blokker, repetitor; — stone, slijpsteen; to keep oiie'» nn»e to the — stone, zich afbeulen; to be tied to the —stoue, erg gebonden zij ii.

Grip (grip), s. greppel, grijpvogel; to be at —■ with, worstelen tegen; with au iron —, met ijzeren vuist.

Gripe (graip), s. greep, drukking, kneep, onderdrukking; — ®, s. koliek, bootkrabbers; —, v. a. grijpen, drukken, knijpen, buikpijn veroorzaken, v. n. buikpijn voelen, woekeren, loefgierig zijn; to — to windward, gieren; —r, s. grijper, knijper, afperser, woekeraar.

Gripiiig (graipin,), a. ondragelijk, nijpend (b. v. — poverty); —, s. (het) grijpen,smart, nood; —ly, ad. met buikpijn.

Gripple (grtp'l), a. schraapzuchtig, inhalig; —ness, s. schraapzucht.

Grisamber (gristrmb9), s. ambergrijs.

f Gris® (grai»), a. big, keu; trap, trede. I Griskin (griêk'n), s. varkenskarbonade.

Grisly (grisli),a. akelig, ijselijk: —bear. beer.

Grist (nri*t), s. maal koren, voorraad, leeftocht; it hrings — to the 111III, het brengt voordeel aan; —mill, korenmolen.

Gristle (gris'/), s. kraakbeen.

Gristly (gritli), a. kraakbeenachtig.

Grit (grit), s. gort, grint, steengruis, zandsteen, moed; — stoue, grintsteen, gruis; —tiness, s. zandigheid, gruizigheid; —ty, a. zandig, gruizig (flg.), flink, kranig.

Grizzle (gtiz'l), *. grijs, appelbloesem.

Grizzled (grizfld), a. doorioopen met grijs.

Grlzzly (grizli), a. grijsachtig, s. (grijze) beer.

Groati (grottn), s. gesteun, gekreun, pijnlijke zucht; —, v. n. steunen, kreunen; — ing, s. gesteun, gekerm.

Groat (gr out), s. groot (geldstuk van 4 pence); not worth a —, geen oortje waard; —s, s. havergort.

Groeer (rjrou89), s. kruidenier; — y, s. kruidenierswinkel ; — ies, kruidenierswaren.

Grog (grog), s. grog; —•blossouis. roode puisten op den neus van een dronkaard; — shop, kroeg; — gery, s. tapperij; —gy, a. beschonken.

Grogram (program), s. kamelot.

Groin (groin), s. lies, varkenssnuit.

Grommet (fjromat), s. strop, prop (van touw).

Groom (grüm), s. rijknecht, oppasser, jong echtgenoot; —*s man, jonker van den bruidegom ; — of the cliaiither, kamerdienaar;

— °f the stole, opperkamerheer.

Groove (griiv), s. groef, keep, sponning, sleur;

to fnll into old —s, sieurwerk worden, in den ouden sleur vervallen; —, v. a. groeven, uithollen.

Grope (grovp), v. a. tastend zoeken, v. n. in het donker rondtasten (after, for) ; —r, s. rondtaster.

Gross (groiis), s. geheel, gros; by the —, in the —, bij massa; —, a. —ly, ad. dik, vet, log, groot, lomp. ruw, grof, tastbaar, onbeschoft, dom ; —lieak, kersvink. dikbek (vogel); —lieaded, dom; —weiglit, bruto gewicht;^—ness, s. dikte, logheid, ruwheid, grofheid, onbeschoftheid, lompheid.

Grot (grot), grotto, s. grot, kunstgrot; — ware, ruwe pottenbakkers waren.

Grotesque (grjte*lc), a. —ly, ad. wonderlijk, onnatuurlijk, koddig.

Ground (graund), s. grond,landerij,grondslag, grondtoon, eerste aanleg, oor/.aak; to break

— (flg.), het ijs breken; to fnll to the — (flg.), in duigen vallen; to gain —, veld winnen ; to stand (keep) one's —, stand houden; to give (lose) —, wijken; to qnlt on©*® —, afdeinzen; —®, s. gronden, grondbeginselen, grondsop, bezinksel; —angiing. peuren; hack—, achtergrond ; consecrated —. gewyde grond; fore—, voorgrond ; —ash, geitevoet (plant); —bait, aas (voor visschen);

— beetle, loopkever; —flea, aardvloo ; — floor, —story, gelijkvloers-verdieping; — Iry, aardveil; —malt, spoeling van mout;

GRE. - GRO.

Sluiten