Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—nut, aardnoot; — oak. jonge eik;— pine. veldcypres; —plate, —«III, drempelstuk; — plot, grond, plattegrond, erf; —rent. grondpacht; —room, benedenkamer; -iel, beneden-timmerwerk, kruiswortel; — «hore»,paalwerk; —squirrel, zwijn (op schepen); — •tont», hoeksteen; —tackle, grondtakel (om te ankeren); —tier. onderste laag; —toen, snuit, heede (van hennep); —wayn, stapelblokken; —worlc, grondslag; —worm. regenworm ; «lon t go over old —, haal geen oude koeien uit de sloot; to he nbove —. (fig) nog in leven zijn; to l»e uii<ler—, begraven zyn ; the premise* w«r« buriit to the —, het perceel brandde tot den grond toe af; to go iipon «ure —, !fig.) zeker van zijn zaak zün ; to roze with the —. met den grond gelijk maken ; he «tayed lii* — against «is. hy handI aaide zijn standpunt tegen ons; the sliip «truck (touched) —, het schip stootte tegen den grond, «rouiid (grauwt), v. a. gronden, grondvesten (ou, upoit); onderwazen (in); afzetten (het geweerj; to he well —c«l I» n thing. goed onderlegd, tliui* zyn in iets; — armw! zet af, 't geweer!; —, v. n. aan den grond loopen; —age, s. havengeld; — ed,a. —edly, ad. gegrond; — lens. a. — lessly. ad. ongegrond ; —leMiieu, s. ongegrondheid; — Uiig. s. grondel ing, geringe man.

Group (ijrup), s. groep, hoop; —, v. a. groe-

peeren; —ing, s. groepeering.

Grouae (grana), s. korhoen, hazelhoen.

Grout (graut), s. grofmeel, gort, dunne kalk (om te voegen), bezinksel, ongegist bier; —, v. n. voegen.

®rove (grouv), s. boschje, laan.

Grovel (grov'l), v. n. kruipen ; —Ier. s. kruiper, lage ziel; — ling, a. kruipend, laag, genteen.

®row (grou), v. a. doen groeien, telen; to— a beard, een baard laten staan; —, v. n. groeien, wassen, toenemen (lu); ontstaan (out of); worden (up); ontstaan, opgroeien, (upon) te machtig worden; to —«hort, at- j nemen; to — Into fanhiou, mode worden; to — into favor witli, in gunst komen du ; to — out of fawhion, uit de mode geraken; to — out of u«e. in onbruik komen ; —er, b. die of dat irroeit, teler, houwer. Growl, (grant), s. geknor; —, v. a. door geknor uitdrukken; v. n. knorren, grommen;

er, 8. grom mer, knorrepot, gehuurde vigelante.

Grown (groun), a. begroeid, volwassen ; — •en. hoope zee; a full — man, een volwassen man.

(fffouth), s. groei, wasdom, gewas ; year*» —, de oogst van dit jaar; a novcl of French —, een roman vanFranschen bodem.

®rub (grob), s. made; dreumes; —s, «. muizenissen; to he fond of one*s—, een liefhebber van eten zijn; —,v.n. uitgraven,rooien, uitroeien (up); —, v. n. graven,zwoegen ; — ber, s. graver, zwoeger; — «treet poeui.

GRO. — GUB.

| book. novel etc, s. slecht geschrijf; —, a.

. prullig (naar eene straat in Londen, waar weleer vele broodschrijvers woonden). Grudge (grvdi), s. wrok, nijd, wangunst-

knaging; to bear a —t wrok voeden; \

v. a. misgunnen ; met tegenzin geven, nemen ot toelaten ; the mUer — • hiinself the nread he eata, de gierigaard misgunt zich zeil... enz.; —, v. a. morren (of), onwillig zyn; —r, s. brompot, nijdigaard.

Grudging (ijrwlztr^), s. afgunst, wrok, tegenzin ; —|y, ad. met weerzin.

Gruel (griksl), s. liaver-gortpap, meelbrü; t» Sive one hl« —, iemand zijn „vet" geven. Grufr (grvf), a. —ly, ad. stuursch, norsch •

—iieM, s. stuurschheid.

Grum (grvm), a. -ly, ad. gemelijk, stuursch, barsch.

Grumble (grumb'l), v. n. morren, knorren

(nt), rommelen ; —r, s. knorrepot. Grumbliug igrumblin,), s. gemor, gerommel;

morrend, grommend.

Grum e (t/rüm), s. klonter; —ous, a. klonterig ; — ousiaea», s. kionterigheid.

Cruudy (Mpi,). »l»ha( wlll-.ny ?" Wat

zal „men" er wel van zeggen ?

«runt (grmit), s. geknor; v. n. knorren; —er, s. knorder, knorvisch ; —ing, s, geknor; lillg. 8. jong varken.

Gualacum (gjibletk'm), s. pokhout.

Guano (gtrauÓ). s. guano (meststof). Giiarautee (gcersnti) 8. waarborg, borgblijving, gewaarborgde; —fund, waarborglonds; —, v. a. instaan voor, waarborgen. Guarant or, (gnranta), s. borgblijver; — y,

s. & v. a. zie Guarantee,

Guard (gdd), s. wacht, hoede, beschutting, stootplaat (aan een' degen); beugel (over den trekker van geweer); conducteur, boordsel, stootkant; —», 8. lijfwacht; to he on —. op wacht zijn; to put (throw) oue ofl* nis —, iemand verrassen (overrompelen), zorgeloos maken; to relicve the —, de wacht aflossen ; to catch oue ofT hU — (fig.), iemand in de kaart zien, iemand doorzien ; to put a man on hl« —, iemand

waarschuwen, op zijn hoede doen zijn ;

bont, — ship, wachtschip ; —chamher! — room, wachtkamer; -hnuse, wachthuis; —irons, houdijzers, bargliouten ; eoa«t —, Kustwacht; rear—, achterhoede ; life —, lijfwacht; horse — •, (kou.) lijfwacht te paard.

Guar«l (gdd), v. a. bewaken, beschutten (againet, from), —, v. n. op zijne hoede zun, zich hoeden (against, from); —age.c. opzicht van voogden; —ed. a. — edly. ad. behoedzaam ; —ednes*. s. behoedzaamheid; —er, 8. wachter, bewaker; —less, a. weerloos.

Guardian (gddj'n), s. voogd, opziener; deputy —, toeziende voogd; — of the poor, armvoogd; —, a. beschermend; — angel, beschermengel; —ship, s. voogdijschap. \

Guberna tiou (gjühsneiiu), h. bestuur; — torial, a. tenen gouverneur betreffend.

Sluiten