Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GUT. — HAF.

Gut(er (gnt»)% s. goot, waterloop, groef; — led ge, luikliout; —sticks, zethaakjps (drukkerij); —stone. goot-, leksteen;—tile, gootpan; —, v. a. uithollen, groeven, v. n. uitgehold z;jn, afloopen; aaien out of tlie —, menschen van lage kotn-af; lo piek ouc «»ut of the —• iemand uit de goot oprapen, 'tip».) hem opvoeden en verplegen.

Gottle {gut l), v. a. ontlokken, inzwelgen, v. n. brassen, zwelgen; —r, e. gulzigaard, brasser.

Out tulous {(jutjalar), a. druppelvormig; — tural, a. tot de keel behoorend, s. keelletter; —ty, a. bedroppeld.

Cuy {(ïai), s. hoorntouw, topreep, vogelverschrikker; Jil»—, bakstag van 't kluifhout;

— of a boom, bulletouw van eene giek;

— of the llying Jihboom, bakstag van't jaaghout; —pendant, schinkel; to be — ed, bespot, uitgelachen worden.

Guzzle [guz'l), v. a. inzwelgen, v. n. zwelgen, brassen; —r, s. zwelger, zuiper.

Gyhe fdznib), v. a. doorkaaien ; —, s. spotternij, (zie Gihe).

Gymnasi iirch idzimneisidk), s. bestuurder van een "gymnasium**; — iiiii,b. gynina-

f stiekschool, worstelperk (voor athleten bli de Grieken).

Gymnast (dztmnsxt), g. onderwijzer in (beoefenaar van) de gymnastiek.

Gymnastlc (dzimnantik), b. gymnastische oefening, oefening; —, — al. a. — ally, ad. de lichaamsoefening betreffend, gymnastisch; —•. s. pl. c-ymnastiek.

Gymuosophist (dzimnos9fl*t), s. Indisch wijsgeer.

Gyaniiospermous (dzimn9tpê9mas), a. met

naakte zaden.

Gynarehy (dztvdkV, s. vrouwenregeering.

Gyueocracy (dz biiokrosi), s. vrouwenregeeving.

Gyp aeui {dztpijs), a. gipsachtig; —sum, «. gips.

| Gypaey {dztpri), a. zie Gipsy.

I Gyr al (dzatral), a. ronddraaiend; —ate, v. n. ronddraaien; —at ion, (dzairels'n), s. ronddraaiing; — atory. a. ronddraaiend; —e,

I ». kring, cirkel, ronddraaiing, v. a. ronddraaien.

| Gyrfalcon (divfók'n), giervalk.

Gyve (dzaiv), v. a. ketenen, boeien; — ■, g.

I pl. boeien, voetboeien.

H.

ï '' *!; 1 h"r"e frtlllepy, radende — acle, g. woning; -ance, —ancy, s. wet-

artillerie: IIants.. Hanipshire; H. B., home tige neerzetting, verbiyf; -ant. s. bewoner;

warri ooiiud. op reis naar huis, in retour —at, woonplaats voor plant of dier;—atlon.

bevracht; li. e, hoe est. tliat is; Heb., s. bewoning, woning.

Hebrewfs). Hebreeuwsch (Hebreeën); llahitu al {habttjual), a. -ally, ad. gewoon,

Herts.. Heitfordshire; II. (II.) H.; His gebruikelijk; —ate, a. ingeworteld;—ate,

(her) (Roval) H iglmess; hhd. (pl. hhds), v. a. gewennen.

hogsheadfs). okshoofden ; H. !»l. S. Hls j Habitude (harbitjwl), s. gewoonte, hebbelUk-

:»ier) Majeoty s feervicet li. p., horae* beid, gemeenzaam verkeer,

op shippower, paardekraeht; II. »., hic Habnnb (htvbnab), ad. luk of raak. door el-

situft. hier ligt begraven; Hunts, Hunting- kaï-der.

» i . Hack (hoek), g. bak. keep, oude knol, huur-

mÜ «L » paard, -koets; llterary —, broodschrijver;

Ha-ha, een schutting tusscben hellingen. tliey were living nt — and manger.

Habeas ro. pus (h*ibi9Skó»p9t), s. wet op .... op zeer verkwistende wijze, op grooten

de preventieve gevangenis. voet; v. a. hakken, verminken, v. n. hak-

■fat>er<la«hrr (harb9dai9), s. kramer, garen- kelen, zich prijsgeven.

en bandverkooper; —y, s. kramerU. Hackle [httk'l), g. hekel; -, v. a.

Haherdiiit* {htrbgdaiu), g. labberdaan. hekelen.

l)0rst,,nrnas- Hackney (htrkni), a. verhuurd wordend, veil. Habiliment thgbtlimant), s. gewaad, uitrug- afgezaagd; —, g. telganger, huurpaard, M.iüï» it huurling, lichtekooi; —coach, huurkoets; ♦ ijt P" ffewo"n'e' hebbelijkheid, ge- —coachman, huurkoetsier;—horse, huurs te ld beid, toestand, kleeding; — «liirt. cbe- paard; — man, verhuurder van paarden en misette; a riding—, een rijkleed; he dis- rijtuigen, huurkoetsier; — writer, broodguised hlniself in the — of a mouk. schrijver, huurling; —, v. a. gewennen, in ny vermomde zich in bet kle«»d van een mon- eene huurkoets vervoeren-,—ed, a.versleten niK; to be in the — of, de gewoonte heb- afgezaagd; —ed sublects, afgezaagde onderden» gewoon zijn : to break one of a —, werpen.

iemand een gewoonte afleeren; to get into Haddock (hwtdêk), h. gchelvisch.

a badeen slechte gewoonte aannemen; Hade (heid), g. steile schacht, staande gang

""ij.*..?* k,eed®n; —«hle, a. bewoonbaar; j (in mijnen); —s, schimmenrijk.

—abllity, — ableuess, g. bewoonbaarheid ; [ Haft (hdft), s. handvat, hecht, heft, gevangen-

Sluiten