Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HAX. — HAR.

1« tliat — «loet, mooi is, wie mooi doet; to «■ome down —ly, royaal uit den hoek komeu; —iiesa, s. fraaiheid, sierlijkheid, hupschiieid, kieschheid.

Ilandy (liarndi), a. handig, knap ; it li a — volume, .... een handig hoek; to be —, binnen hereik zijn, bandier zijn ; —blow. slag met de hand; to com,e to —blow*, hand* gemeen worden; —dandy, handjesspel; — gripe, greep met de hanu, aanpukking; — xJpok«', sla? met de hand.

Hang {h<Pt\), v. a. ophangen, behaneren, neerlaten; (down) laten hangen; (out) uithangen, wonen; (up) ophangen, verschuiven;—, v. n. hangen, zweven, afhaugea; (back) dralen; (011) zich hechten aan, afhangen van; (on, u|»«»n) aanhangen, tot last zijn; (to) aanhangen; —dog. galgebrok; —man, heul; —nail, groote nijdnagel: —by, s. afhangeling; —er, s. hanger, hengsel, haak, hartsvanger; — er-on, s. afhangeling, tafelschuimer.

Ilaiiging (ha'n'in), a. hangend, de galg verdienend; —, s. ophauging; —s, behangsel; —room. droogkamer.

Hauk (InEuJi). s. streng garen, strik, knoop, invloed, mastband, stagring; —, v. n. tot strengen maken.

IIanker, (Infi^kd), v. n. (after, for), hunkeren, sterk verlangen naar; —ing. s. gehunker, sterk verlangen.

Vlauneatie iheev*'nvtik), a. Hanzeatiscli; — league. Hanzeverbond, (de) llnnze.

II aiiNe«town (Hirnsitaitn), s. Hanzestad.

flmiNom (httns'm), s. soort van huurrijtuig.

■lap (heep), s. toeval, tref, geluk; —hazard, to do «oiuethiiig at —hazard, .... op goed geluk af; a —hazard e nterprine, een gevaarlijke onderneming, s. bloot toeval; —Ie»*», a. ongelukkig; — ly, misschien, mogelijk.

Happen (hcrp'-n', v. n. gebeuren, voorvallen; 'upou) aantreiTeii; lie—ed to meet her, hij ontmoette haar toevallig.

llapp ine«» {harpinas), s. geluk, gelukzaligheid; —lly, ad. —y, a. gelukkig, tevreden, verheugd; —y-go-lueky, zorgeloos, onbekommerd.

Haraiigue (h»mn,), s. aanspraak; —, v. a. eene aanspraak houden tot; —r, s. redenaar.

II aras» (hn^rss), s. afmatting, verwoesting; —, v. a. afmatten, kwellen, verwoesten; —er, s. kweller, verwoester.

Ilarbinger 'hahindzj), b. voorlooper, voorbode, kwartiermaker.

Ha rbour(//«te|,s. haven, toevluchtsoord, schuilplaats; —due». havengeld; —manier, havenmeester: —pilot. binnenloods; —, v. a. huisvesten, beveiligen, helen, v. n. intrek nemen, schuilen; —age, s. hei-berging, schuilplaats; —er, s. huisvester, heler; —lens, a. zonder huisvesting.

II ard (hdd), a. & ad. hard, vast, ruw, streng, hardvochtig, sterk, dringend, karig, slecht, moeilijk; to be — up. geldgebrek hebben; to call one — name», iemand uitschelden;

you are too — upou liim. ge valt hem te hard; — of hearing, hardhoorig, fig. niet willende hooren; to drink —, veel drinken; it has gone — witli him, het

liep hem zeer tegen, het viel hem zwaar; — by, dicht bij; —bakeJanhagel; —believing, ongeloovig; —bewet, nauw ingesloteu; — houud, hardlijvig; —breathing, hi-gend;— cavli, —moiiey.klinkende munt; —drinker, drinkebroer; —earned, zuur verdiend; — favored, — featured, met grove trekken, leel\jk; — favorednemi, leeiykheid; —lUted, pootig, gierig; — fought, hevig bestreden; —hauded, hardhandig, streng ; —hearted, hardvochtig; —heartedneNw, hardvochtigheid ; —labour. dwangarbeid; —luck, tegenspoed; —uioutlied, hard in den bek, ruw in den mond; — name«, scheldwoorden; — timen, dure, moeilijke tijden; —trot,snelle draf; —resiu. vioolhars ; —roed, kuitig; —ware, ijzerwaren; -wareman, ijzerkooper; — witted, dom, onbevattelijk.

Harden (had'11), v. a. harden, verharden, v. n. hard worden; —er, s. harder.

Hard ihood (hadihud), s. stoutheid, koenheid, onbeschaamdheid; —■'y. ad. stoutmoedig, koen, streng; — liiens, s. stoutheid, koenheid, driestheid, sterkte ; — ly, ad. streng, met moeite, nauwelijks; —ly anybody, bijna niemand; —ly ever, bijna nooit; to deal —ly witli one, iemand streng, hardvochtig behandelen; tliey judged —ly ot' him,zij oordeelden hard (ongunstig) over hem; — nesa.s. hardheid, ruwheid, strengheid, moeilijkheid; —», pl. heede, werk (van vlas); — «hip, s. vermoeienis, ongemak, druk, tegenspoed ; —y,ft. stout, koen, driest, sterk, forsch, geiiard.

Hare (hêa), s. haas; if you run after two —», you will cateli neitlier, die het onderste uit de kan wil hebben enz.,

(zie (iraMpj; he i» a« mad as n march

—« zoo dol als een kraai; —heli,

rondbladig klokje; —braiaied. onbesuisd; —foot, hazevoet (plant); —hearted. lafhartig; — houud, windhond, .jachthond; — huntiiig, hazen jacht; —lip, hazelip; — mint, hazemunt.arum;—pipe, hazeunet; —ragout, hazenpeper; —'a-ear, hazenoor (plant); — wool, hazenhaar; —wort, kaasjeskruid, maluwe.

Harem (hdrsm), s. harem.

Haricot (hanriko), s. snijboon, hutspot.

Hark Ih&k), int. hoor! luister!; to — back, terugkrabbelen, weer hegiuneu.

Harl [hal), s. vezel, iets vezelachtigs.

Harlequin (fia/»kin), s. hansworst, harlekijn.

Harlock (luilak), s. wilde mosterd.

Harlot (halot), a. gemeen, dartel; —, s. hoer, slet.

IIarm (ham), s. leed, letsel, schade; — «et (ors watch). — get (or: catch), wie een kuil graaft voor een auder valt er zelf in; they mean uo —, zij hebben geen kwaad iu den zin; to do —, kwaad doen, benadeelen ; out of —way, in veiligheid, geborgen;

Sluiten