Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HAU. - HEA.

hoek, hol; —, v.a. dikwyls bezoeken, verontrusten, kwellen; v. n. rondwaren, spoken; —er, s. druk bezoeker.

Hautboy (houhói), 8. hobo.

Have (hcev}, v. a. hebben, houden, moeten, wenschen, doen; hnve a care, pas op, neem ti in acht; liave at jou. het geldt ti;to— at heart. ter harte netnen ; a — at-him. een ■toot (naar hem): to—at one, naar iemand stooten. slaan; 1*11 — it out wlth you. ik wil met je afrekenen; ik zal het je inpeperen; you — nothlng for it hut to aubuilt, er zit voor u niets anders op dan u te onderwerpen.

Haven (hetv'n), s. haven, vrijplaats ; —er, s. haven mees'er.

Haver (htrv9), s. bezitter, haver; —aack, ransel, knapzak.

Having [turviv,), s. have, bezitting, gedrag.

Havock (htrvak), s. verwoesting ; —, v. a. verwoesten (- to play — with); to cry—, geen kwartier geven.

Haw, iJiS), s. erfje, heg, hagedoornbes, dal, heuveltje, priêel, uitwas onder het oog, gehakkel; to feel —, zich naar, lusteloos gevoelen; —tliorn, hagedooru; —, v. n. hakkelen, stamelen.

Hawk (hók), s. havik, gerochel; — eyed.met valkenoogen; —noted, meteen* haviksneus; -owl, valkuil; —weed. liavikskruid;—, v. a. rondventen, v. n. met valken jagen, rochelen: —ed,a. hoekig, krombekkig; —er, 8. rondventer, marskramer, valkenier;—lug, s. valkenjacht.

Hawaer (Itó1*9), s. kluis, boegseerl'ijn.

Hay (hei), 8. hooi; to make — wlille the lun «hiiiet*. het tjzer smeden, als het heet is; to be het ween — and graas, (fig.) te klein voor tafellaken en te groot voor servet zUn; to uinke — of thlnga. .... in de war brengen; — eock, hooiopper; —fever (—aathma), zware asthmatische verkoudheid; —horvest. —time, hooioogst, hooitijd; —loft, hooizolder; —maker, maaier; —mnkiiig, hooibouw ; —mow, —riek, — •tack, hooiberg: to look for a needie In a — ataek, (fig.) zoeken naar een speld in een voer hooi; hopeloos, vruchteloos werk doen.

Hazard, [htrzad), s. toeval, wisselvalligheid, kans, gevaar, dobbelspel; a winning —. het stoppen van den bal der tegenparty; a loaing —, het verloopen van z\jn eigen bal (bilj.); —, v. a. wagen. v. n. zich blootstel* len, zich wagen; —able, a. gewaagd; —er, s. waaghals, speler; —oua, a. —oualy, ad. gevaarlek, hachelijk.

Haze (heiz), s. nevel, mist.

Hazel (hetz'l), s. hazelaar; —earth, bruine aarde; —hen, hazelhoen; —nionld, tuin-, pootaarde; —nut. hazelnoot; —tree, hazelaar; —wort, bazel wortel; —y, lichtbruin.

Hazy (heizi), n. nevelig, mistig.

He \h\), pr. hij, mannetjes; —cat, kater; — couain, neef; —gnat, bok; —neighhor, buurman; — aervant, knecht.

Head (hed), s. hoofd, kop, top, kruin, knop, kopstuk, hoofdeneind, pijlpunt, lemmer (van eene byi). galjoen, hoofdpunt-, bron, oorsprong, bierschuim, verstand; to take Into one'a —, op de gedachten komen, het plan opvatten; — a or tails? kruis of munt? I conld not make — or tail of It, ik kon er niet uit wys worden; — over heela, zeer haastig, halsoverkop; the plot came to a —, . . . werd rtfp; he'a off hia —, hy is stapelgek; to let one have hia —, iemand zjjn zin laten; 011 u»y nwn —, op mijn eigen verantwoordeiykheld; let'a lay our —a together. (fig.) laat ons do hoofden by elkaar steken ; over — and eam. tot over de ooren; to give —, den teugel vieren; to make —, het hoofd bieden; to take —, steigeren; to lay —a together, samen overleggen; hand over —, onbedachteiyk; tw» —• are hetter than one, twee wet-n meer dan één; —ache, hoofdpijn; -«-hand. hoofdband, stryklint;

— board, hoofdplank; —horougla, schout; —caahier, hoofdkassier; —cliases, jagers; —eheeae, hoofdkaas, zult; —cringlea, nokleuvers; —dreaa, kapsel: —gargle, zekere veeziekte; —gear, hoofdtooisel; — land. voorgebergte, kaap: —landlord, opperleenheer ; —linen, rahandeii; —long, a. steil, onbezonnen, ad. onbesuisd, eensklaps, hals over kop; —man. hoofdman, leider; —moiiey. hoofdgeld; —piece. bodem (van een vat), kopriem, titelplaat, helm,stormhoed, verstand, kop ; —quartera. hoofdkwartier; —roll, valhoed, hoofdwrong; —rope. ra-, boveniyk; —aaila, voorzeilen; —aea, stampzee; —amau, scherprechter; —atall, hoofdstel; —atoue, hoeksteen; —«trong, koppig; —wny, vaart, gang; to make—way, flink vorderen, opschieten; —wind, tegenwind; -workman, voorman.

Head (hed), v. a. voorgaan, aanvoeren, leiden, bodemen, punten, met een' kop voorzien, kappen, toppen, onthoofden; —er, s. hoeksteen, speldeknopmaker; —ily, ad. driftig, onbezonnen, koppig; — inena, s. onbezonnenheid, halsstarrigheid : —!«••»». a. hoofdeloos, onberaden, ongegrond; —uioat. a. voorste; —ahip, s. eerste plaats, aanzien;—y,a. snel, onstuimig, hoofdig, koppig (wyn b. v.).

Henl {hil), v. a. & n. heelen, genezen (np); —ahle. a. heelbaar; —er. s. heeler; —Ing. a. genezend, verzachtend, lenigend.

Health (helth), s. gezondheid, welstand ; yonr

— I santé! op je gezondheid! — ia better than wealth, gezondheid is meer waard dan rykdoni; — gymnaatica, heilgymnastiek; —ful. a. —fully, ad. gezond, heilzaam; —fulneaa. —Ineaa, s. gezondheid; —leas, a. ongezond; —y, a. gezond.

Heam (Mm), 8. nageboorte (by vee).

Heap (s. hoop, stapel; to be atruck all of a —, zeer verbaasd staan; —, v. n. ophoopen, opstapelen (up); — er, s. ophooper; —y, a. vol hoopen, by hoopen.

Hear (Aw), v. a. & n. hooren, luisteren, ver-

Sluiten