Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOA. - HOL.

Kloarse (Ju,,»), a. -Ij-, „d. heesch, schor- —

■*esw. &* heeschheid, schorheid.

IInax (houks), s. toppery, sprookje; —, v a

M«KPf;n;^eetliemen; ~ep' 8- fopper. bedotter. ■fob (Aoft), s. warmplaat, naaf. kinkel, spook-go bil». spook, kabouter ;~lilte,a. boerse!»! u ££■ T,11","/ h°efnaipel, lompe vlegel, llobble '/'Oft l), s. strompelende Kun?, verlegenheid; —, v. a. in verlegenheid brengen, v. n. hompelen, strompelen; -r. s.hinkpink; baard * S* nan^0ITien<^ jongeling, vlas-

s boomvalk, klepper, bitje ■■«Ki* / stokpaardje; — horse, stokpaardje! Ilobit (ho it), s. houwitser.

Ilohnob [hobnob)% ad. al of niet; —, v a d,e !fl,azen). ..een lyntje trekken."* Hoek (hok), s. knieboog,l{(jnwyn(Hochheimer)«lay (—tiue), vreugdedag (vooral 2de dag na . aschenj; — herb, kaasjeskruid; —,v. a. Ue kniepees afsnijden, verlammen, llockry ihuki), een soort van kolfspel.

SSMu V. a* (8t°ppels) maaien; zie

Hoek en Hough. '

llt»ü (hod), s. kalkbak; — iiinn, opperman- — mandod. huisjesslak. '

""mJiTot1""18* *■ mengelmoe.,

llodiernnl IhoudiAn-t), a. hed.-ndaagsch Hodomelcr (hoüomjta), s. afstandsmeter, ■loe {hou), s. houweel, hak, schoffel- — va ophakken, schoffelen. » • •

Hok (''»!/), 8. zwijn, barg, Spaansche bezem, scheepsschrobber; -bn.lg.-i-, ïwgndas; J briatle, varkensborstel; —t-luiii. zaïidslane-eote, varkenskot, -fl.h. zeevarken,brul!: visch; — grubber. vreetzak, vrek; — lierd zwijnenhoeder; — louwe. varkensluis; — nen' varkensstal; — riuger, die varkens ringt; — «•beans, varkensboonen ; —''s-hread, varkensbrood; — 's-rlieek, varkenssnuit; — «ar, varkensoor (plant en schelp);—'N-fenuel wilde venkel; —'N-giease. reuzel; —'«.har, e varkensomloop; -'s-l.ead, varkenskop; — w-hearing, loos alarm; -'s-miishroom. ganzendistel; -'ft-puddlng, varkensworst; — vrool, wilde venkel; —'s-akin, varkensleder; — «teer. diiejarig wild zwijn* y* varkenskot; —waili. draf, spoeling' — »/><>'. eerste wol van een r«p hun; «u go ine M lioli' —, alles doen, wat maar gedaan kan worden.

IIok Kl«h [hoffié), a. -gl.hly. ad.beestachtig zwA'f f' F,"1*'*. vnirlg; -Kl»h..r.., s. beestachtigheid, zwunerU, eigenbaat, vraatzucht. ■ !°?? (hoijzfotl), s. okshoofd.

Holden (hoid'n), a. boerse li, lomp, ruw — s. wilde — ruwe meid, ruwe kerel, kinkel • —• v- n. dol stoeien, ravotten, llolst (hoht), s. opheffing, hyschlng, broeking

,f,f°e.ra vln^i v. a. opheffen, lichten, nyschen, ophyschen.

Hoity-toity Uioiti-toiti), ad. huiterdetuit „uitgelaten; -, int. wel te drommel!

Hold (houhl), s. vat, greep, houvast, steun, scheepsruim, bewaring, hechtenis, sterkte, I

schuilhoek, rustpunt; «o put in —. in hechtenis nemen; to catch (get.lay.takej— of, to lay — «... grypen, aangrepen, vatten • «ll,portemanteaii; — back,beletsel; —fa at houvast, kram, vrek ; »ne — fa«t is hetter tlian |wo I'll give «liee, één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; —, int houd op! —, v. a. houden, hebben, be-, In-' uit-, vasthouden, bevatten, houden voor' staande houden, weerhouden, bekleeden (een ambt); to — au artion, een proces voeren; to —water, waterdicht z{ju, (tig.) it ?!*?" * —water, het kan geen onderzoek lUaen; bet zal geen steek houden(back) terug-, aanhouden; (fortli) voorhouden, aanbieden voordragen ; (in) tegenhouden, beteugelen; (olT) at houden; (oh) doorzetten(out) uithouden, uitsteken, aanbieden; (unj ophouden, steunen ; -, v. n. op-, stilhouden, "Uren, zich staande houden, stand houden waar (geldig, juist) zijn; to - good. — true,' steek houden, bewaarheid worden; the rule —» good tlirough life. de regel is geldig, toepasselijk voor het leven; (back) achterbleven, standhouden; (forthj preeken, vermaneu; (l'rom) afstammen, voortspruiten, afhangen, zich weerhouden; (inj zich be«7ii e?? ^w"*' afhouden, ontwaken; (om stilhouden, voortvaren, aanhouden; (outi duren, volhouden, uithouden; to — over (<ï* J*1,!1 e* Vinger in zyn bezit houden, uitstellen; (to) aankleven; <up)stand houden ophouden; (witlij het houden met; to — »' tight hand upon one, iemand onder den duim houden; hIie held her nence, zii hield zich stil; he —* hit* owu, hy houdt, wat hy heeft; to — one's ground. zijn standpunt handhaven ; I — him hut a fooi, ik houd hem voor niets anders dan een dwaasto — tant iipon a rope, een touw styi' vasthouden (zeev.); to — out in the offlnc, zee houden. ®

Elold er (houldg), s. houder, leenbezitter—erfortli, s. prediker, redenaar; — ing, s! pachthoeve, invloed; — ing-ground, ankergrond.

Hole (/ion?), 8. gat, hol. kuil; a —and corner busiuews, een onderhandsche zaak; to get one in a —, iemand in 't nauw dryven a — to creep out at, een achterdeurtje', een slag om den arm; to piek a — in a person'ft coat, (fig.) vitten, haarklooven • e«» bal stoppen (biljart), ■■oli daui (holifUm), s. Onze Lieve Vrouw—day, s. heilige dag, feest-, vacantiedag, a.' feestelijk, feest-, vacantie-; —ly, ad. heilig—ness, s. heiligheid.

Elolla (hola), Hollo (holou), int. bolla! —, «■8'.ferofP; ~• v* schreeuwen, roepen. Holland (holsnd), s. fijn linnen; —s, s. Hol-

landsche jenever.

Hollow lio/o"), a. hol, valscli, dof- —, » holte, bolliglieid, put, groef; —,v.a.uithollen; —chveked, met holle wangen; —hearted, geveinsd ; —ness, 8. holheid, valschheid. ■lolly (holi), s. hulst, steekpalm; —hoek,

Sluiten