Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOW. - HUN.

niettemin; —ever. —«oever. ad. & conj. hoe ook, echter, evenwel, niettemin.

Howitz ihauit*[9])\ —er, s. Iiouwitser. Howl (haul); -iiijj, s. gehuil, gejank;—, v

n. huilen, janken; —et, s. nachtuil. Hoy [hoi), s. schuit, kaag, lichter; —. int

heila! hollal Hub (hob), s. naaf, handvatsel, hecht, mikpunt;

—bob, s. fferaas, rumoer.

Hack (hvk), v. n. knibbelen, afdingen; —aback

s. prof servetlinnen.

Huckle (huk'l), s. heup;— backed,gebocheld—botte, heupbeen; — bonea, koten (kinderspel i.

8» venter, marskramer, bedrieger; —, v. a. rondventen; —eaa, s. ▼entster, koopvrouw.

Had Ihvd), s. dop, ook Huak.

Huddle (hnd'l), 8. verwarde hoop, rumoer, verwarring; —, y. a. overhaast verrichten! - bijeen rapen, - door elkander smyten;(on, aanschieten; —, v. n. te zamen dringen, iii een verwinden hoop aankomen; (alonir voortstroomen; (into) binnendringen; (together) samenstroomen.

Hue (hju), h. kleur, tint, (het) naschreeuwen, alarmkreet; to puraue wlth —and-cry. met luid geschreeuw nazetten.

Hafl* (fivf), s. aanval van toom of verwaandheid, (het) opbruisen, snoeverU; l»e took the —♦ hU was „gepiqueerd", beleedigd- — ▼. a. opblazen, uit de hoogte behandelen, v' n. zwellen. blazen; (wlth) woeden, tieren (at;; —er, s. snoever, windbuil; — iah, —y. a. razend, snoevend, opgeblazen, verwaand; —■•nneaa, b. opgeblazenheid.

Hag (hvi/), s. omarming, vatting; to givioae n corniali —, een beentje zetten (bij ■ v*chten); —, v. a. omhelzen, liefkoo/.en, omklemmen; to — oue'a «elf, zich gelukwenschen ; to — the ahore, dicht langs de kust varen.

ft* —')'• ac^- zeer groot, vervaarlUk, byster ; —ness. 8. verbazende grootte monsterachtigheid.

Hngger-mugger ()iogj-mnQ9), s. schuilhoek:

'I -• heimelyk; —a. wanordelijk.

Hulk (hvlk), 8. scheepsromp, sleet (oud vaartuig); — v. a. ontweien ; —y, a. log, zwaar, onhandelbaar.

Huil (hvl), 8. hulsel, schil, romp (van een schip); to lie a —, voor top en takel loopen; to strike a —, voor top en takel dryven ;

— up and down, dobberen; —, y. a schillen, pellen, in den romp schieten, oji strand zetten; —ed barley, gepelde gerst; ▼. n. dry ven, dobberen; —y, a. met schillen', hulzig.

(hvm), s. gegons, gebrom, geneurie; —, int. hm! —, v. a. neuriën, bedotten, v. n. neuriën, gonzen; brommen.

Human (hjitman), a. —ly, ad. menscheiyk; —ly apeaking, menscliely kerwyze gesproken; —e, a. —ely ad. (hjumetn), menschlievend, minzaam, heusch ; — int. s. menschenkenner, letterkundige; —Itlea (hjumtenitiz,,

pl. de fraaie wetenschappen (— —e learn-

*»*)» —Ity.s. menschheid, men^chelijkheid• minzaamheid, lieuschheid; — ize (htAmsnaiz) v. a. beschaven; —kind, s. menschdom. Hiimble (humb'l), a. huinbly, ad. nederi?. onderdanig, gering; —bee. hommel; — beeeater. byenwolf; —moutlied, deemoedig in het spreken, gedwee; —plant, kruidje roermy-niet; to rat — pir, zoete broodjes bakken; —, v. a. vernederen, krenken, verootmoedigen; — ncaa, 8. nederigheid; — r, s vernederaar.

Humbug (humfmg), s. blufferü, bedrop, wind, larie, bluffer, windmaker; —, v. a. bedrieten bedotten. '

Hum drum (bomdrom), a. slaperig, onnoozel,

lijvig; —, s. domoor, druiloor.

Humect {hjummkt), — ut.-, v. a. bevochtigen;

—ation, s. bevochtiging.

Humeral (hjümirel), a. tot den schouder behoorend.

Huinltl (lijümicl), a. vochtte;— Ity Ifijumlditi)

—neaa. s. vochtigheid.

Huniill atv [hjumt/jeit). v. a. vernederen verootmoedigen; —ation. s. vernedering' verootmoediging; —ty, s. nederigheid, ootmoed.

Hum nier [hnui9)% s. gonzer, neuriër ; —ming, s. gegons, geneurie : — miiig-ale, krnchtig bier; — ming bird. kolibri ; — inock, (homsk), s. aard hoogte, heuveltje ; —iiiuma, pl. warme baden.

Humor, (hjikma), s. vocht, sap; gemoedstemming, goede luim, luimige inval, gril ; out of —, in eene kwade luim (= in bad —) v. a. zich schikken naar, ten wille zyn, aan luimen toegeven (to — oue'a pn«sion«, au Idea, oue'a deairea etc.); — al,a. van de vochten; —al fcver, zinking-koorts; — al pathology, ziekteleer der vochten; —lat, s. luimig, geestig mensch ; —oua, a. —oualy, geestig; -ouaneaa, s. grilligheid, luimigheid ; — aouie, a. — aomely, ad. gemelyk, luimig.

Homp (htrnip), s. —back, bochel, bult • — bat-keel, gebocheld.

Hunch (hrtnti), s. bochel, bult, stoot, duw; —back, bochel; —backed. gebocheld ; —* v. a. horten, stooten, krom huigen. * '

Hundred (hundrad), a. honderd; —, s. honderdtal, district; by —a, by honderden; he loet a cool —, liy verloor zoo eventjes 100 pd.st.; -coiirt, kantongerecht; — fold, honderdvoudig; -weight, centenaar; —er, s. kantonrechter; — tli. a. honderdste.

Hung-beef (har\lif), s. gerookt vleesch.

Huiiger, (hnn,oa), s. honger, sterk verlangen; the — of rlchea, de zucht naar rykdom ; the — of gold, gouddorst; — iH the beat sauce, honger is de beste saus (kok);—bit, bitten, a. door den honger gekweld; — atarved, uitgehongerd ; — atarve, v. a. doen verhongeren; —, v. n. hongeren; hunkeren f**1*); —ed, a. —ly,a. & ad.hongeriir,

Hui.gr y [hunori), a. —lly, ad. hongerig, hongerend; schraal; aa —y aa a hawk,

Sluiten