Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LMP. — IMP.

Iniparaonee (impiuani), s. vruchtgebruiker van kerkelijke goederen.

luipart (impat), v. a. mededeelen, verleenen, toestaan (to); to — a favour to. een gunst, toestaan aan; to — an hoiiour to. Pi'ibewijzen aan; — lal, a. —lally (impaiali), onpartijdig; — inlity (impdiianliti). s. onpartijdigheid; —ibility (impaiabiliti), s. mede* deelbaarheid, ondeelbaarheid ; —ible.a.mededeelbaar, ondeelbaar; —ment.s.medcdeeling.

Impaaaable (impatabl), a. onbegaanbaar, onoverkomelijk.

IiiipaM ible (impwrib'l), a. onvatbaar voor aandoening, (jskoud; —ibility, — ibleiienn. s. ongevoeligheid, onvatbaarheid voor aandoening; —Ive, a. zie Impa««ible.

Impaswinii (imptrë'n), —ate, v. a. bezieion, sterk aandoen ; —ate. a. hevig aangedaan, gevoelloos; —ed, a. hartstochtelijk, vurig.

Inipast ation [impatteis'n), s. pleisterdeeg, mengsel; —e (impetut), v.a. tot deeg kneden, dik opsmeren (kleuren/.

Impaticn ce (impett'n»), s. ongeduld, heftig heid ; liis —ce of contradiction, zijn ongeduld, als men hem tegenspreekt; —t. a. —tly, ad. ongeduldig (at, of); (of) moed*; (fop) gretig naar; to be —t of reatraint. geen dwang kunnen verdragen, dwang moede zijn ; *he wat — t at the «leatb of, zij was wanhopig over den dood van; I am — t for the arrival of the pontman, ik wacht ongeduldig op de komst van den brievenbesteller.

Inipatronize [impwtranaiz), v. a. in het bezit stellen.

Impawii (impóv), v. a. verpnnden.

Impeacli (impitéj, v. a. aanklagen (of); verhinderen ; to — one'it hoiiour, iemands eer aantasten; —able, a. beschuldigbaar, laakbaar; —er, a. beschuldiger; —ment. s. beschuldiging, verhindering.

Intpearl (impót), v. a. met paarlen tooien.

Impecea bility (impekablliti), s. onzondigheid, onvatbaarheid voor zonde; —ble, a. onzondig, onvatbaar voor zonde.

Iniped e (impid), v. a. beletten, verhinderen, belemmeren; — iment (impediment), s. beletsel, belemmering; to raiae (throw) — iment*, hinderpalen in den weg leggen; lie han an — iment in hl» «peecli. hy heeft een spraakgebrek;—Imental (impedimental), —itive, a. verhinderend, hinderlijk, belemmerend.

Impel [imptil), v. a. aandrijven; — lent, a. aandrijvend, s. aandrijvende kracht.

Iinpend (impend), v. n. boven het hoofd hangen, naken; —ence, —encv, s.overhanging, nabijheid; —ent, — Ing, a.dreigend,nakend.

Itnpenetra bility (impewtrabUiti), s. ondoordringbaarheid, ondoorgrondelijkheid; — ble, a. —bly, ad. ondoordringbaar, ondoorgrondelijk.

Impeniten ee (impenitan#), — ey, s. onboetvaardigheid; —t, a. —tly, ad. onboetvaardig.

Impenn ate (impeneit), a. vederloos; —ons. a. ongevleugeld.

lmperative (imperativ), a. —ly, ad. gebiedend; —, s. gebiedende wys.

Imperceptlble (impaseptib'l), a. onmerkbaar; —nes», s. onmerkbaarheid.

Imperfect (impAfakt), a. —ly. ad. onvolmaakt; onvolkomen; —ion, —iieaa, s. onvolmaaktheid, onvolkomenheid.

Imperfora ble {impAfareib'l), a. ondoorboorhaar; —tefd), a. ondoorboord.

Imperial (impirial), a. — ly, ad. keizerlijk, vorstelijk, oppermachtig; —prinre. keizerlijke prins; -power, vorstelijke (opperste) macht; — parliament. souvereiu parlement; —tlcmocrncy, oppermachtige volksregeering; —cliambcr, raad van state; -city, rijksstad ; — «ection, keizersnede ; —paper, imperiaal, (papier, grootst formaat) ; —tea. keizersthee; —lat, s. keizersgezinde ; —ity (inipiritrlifi), s. keizerschap.

Imperil (imperil), v. a. in gevaar brengen.

Imperione (impiriat), a. —ly. ad. gebiedend, heersehzuohtig; —neiv«, heerschzucht.

f mperiahable (imperiënbl), a. onvergankelijk.

Impei man ence {impAmaven*), s. onbestendigheid ; —ent, a. onbestendig.

Impermeability (impimiabHiti), s. ondoordringbaarheid.

Iiii|>ernonal [impAtanal).n..—ly, ad.onpersoonlijk; —ity (/m;)?WdM«r^i7/),s.onpersoonlijkheid.

Iiiiperapicn ity (impafpikjikiti), s. onduidelijkheid; —ohm fimpatptkjuas), a. onduidelijk.

Impertineii ce (imvAtivant), —cy, s. ongepastheid, onvoegzaamheid, onbeschaamdheid, ruwheid, nietigheid; —t, a. —tly, ad. vreemd aan de zaak, indringend, onbeschaamd, ruw, onbeteekenend ; thing* —t to n*i, zaken, die ons niet aangaan; —t, s. indringer, onbeschaamde.

Imperturba ble [impat Abab'l), a. onverstoorbaar; —tion. s. kalmte, bedaardheid.

Imperviouw [impAvja*], a. —ly, ad. ondoordringbaar, ontoegankelijk; —ne«a, s. ondoordringbaarheid, ontoegankelijkheid.

Impetigiiious (impittdzinas), a. vurig, puistig, schurftig.

Impetii ou* (impetjua»), a. —onaly, ad. onstuimig, driftig, hevig; — onity (impetjuwiti), —otiMiieaa, s. onstuimigheid, heftigheid;—» (tmpitas), s. drang, aandrift, vaart, kracht.

Intpierce (imjtiag), v. a. doorl»oren; —able, a. ondoorboorbaar.

Impiety (impatati), g. goddeloosheid.

ImpinKe (imptvdz), v. n. stooten, botsen (on).

Impiou* (impjat), a. —ly, ad. goddeloos; — iieaa, s. goddeloosheid

Implaca ble (impletk'bl). a. —bly, ad. onverzoenlijk ; —bility, — bleneaa, s. onverzoenlijkheid.

■inplant (impUint), v. a. inplanten, inprenten; —ation, s. inplanting, inprenting.

Implaualble [implóziV l), a. onwaarschijnlijk.

Implead (impii l), v. a. (in rechten) vervolgen.

Imple inent (tmplimant), s. werktuig, gereedschap ; —tion, vulling, volheid.

luiplex (implaks), a. ingewikkeld.

Impllca te (implikeit), v. a. inwikkelen, be-

Sluiten