Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISA. - INC.

IitAtiM|>icloti« (hiótpi*'*), a. — ly, ad.ongunfctig, onheilspellend; — wtar. kwaad gesternte, lii born (tnboan), inhred (inbred), a. aangeboren, ingeschapen (with); iiiborn tulen*, aangeboren talent; -breatlied. a. ingeblazen, ingeademd.

Ineage (inketdz), v. a. in eene kooi sluiten.

opsluiten ; —ment, s. opsluiting, luralculable (inkwlkjuleb'l), a. onberekenbaar.

Im-nhftceiine (inkatefm), s. warm word inir. lncande«cen c© (tnkande*'n*), s. gloeihitte

—t. n. gloeiend; —t light. gloeilicht. Iiicniitnt ion (ivkanteié'n), s. betoovering

tooverspreuk, -formulier.

Iibom|»n blo (inlceipab'l), a. onbekwaam («f . bility (inktipabili), —bleue*», s. onbekwaamheid.

Incapaci nu» (inkapeti'n), a. eng, niet ruiin . —ousiies». s. engte, gebrek aan ru i in te ; — tate ^ (inkapa-siteit), v. a. onbekwaam krachteloos maken (fop. to); lie u a» -tatc«i * Vj ? «"««lage, hy weid buiten staat gesteld te huwen ; to -tate to he a witnes* als getuige wraken; —ty. (inkapa-siti), onbekwaamheid; —ty t«» pay, insolventi<. incarcera te (inka*areit), v. a. gevangen zetten; —tlon (inlcdsareis'n), s. gevangen zetting. *

linkétiit), v. a met vleesch Indekken, y. n. vleesch zetten ; — ad int[tnkansain), a. vleeschkleurig; —ate. n. met vleesch bekleed, vleesch geworden —atiou (tnJeaneii'n), s. vleeschzetti:i<.>! vleesch-, menscliwording, vleeschklcur- -ative, a. vleeschmakend.

Incaae (inkeis), v. a. in een' koker sluiten.

bedekken, inwikkelen.

Inra.tell ntril (ihktrgtaleitid), a. (al.) |n een kasteel opgesloten; —eil, a. ingemetseld volhoevig (van paarden).

Iiicautlou» (inkósan), a.; -ly. ad. onvoor

zien tig (or); — iifNN. S. onvoorzichtigheid ineavntion [inkateis'n), s. uitholling. InceiMliary (in*endjari), a. brandstichtend, opruiend, oproerig; an — letter, een brandbrief; _ diMconr»e». opruiende redevoeringen ; —, s. brandstichter, stokebrand. Inceiise (Immw), 8. wierook; —, (to innen )

v. a. bewierooken.

Ineens e (intens), v. a. sarren, verbitteren; emeiit.8. toorn, woede, verbittering - —ion 8. aansteking, ontbranding; —Ive, a. sarrend opruiend; —op, s. stokebrand; -ory, s' wierookvat. 9

Incentive (imentiv), a. aansporend,aanvurend

(to); —, s. prikkel, spoorslag, drijfveer. Incept Ion (intepi'n), s. aanvang, begin; —

Ive, a. beginnend; —op, s. beginner, ■neepatlon (i)itareii'n), s. bedekking met

was, weekmaking.

Inrertitude (insAlitjtid), s. onzekerheid. Ineessan ey (itetanti), «. aanhoudendheid;

-«ly. ad. onophoudelijk.

Xnceat (intatl), s. bloedschande; —uou*. a -nonaly, ad. (in8estjuat[lï\), bloedschendig!

Inch (mi), s. duim (maat), kleinigheid; to «i» —. op een haar; not an —. geen aas ie every , geheel en al; l,enr »a. evcry —• a king, Lear was geheel koning; givim f1'1 —• h®'11 ««» Hl, als je hem

«en pink geelt, neemt hU de heeln hand - — by —, by —e», voet voor voet. langzamerhand, van lieverlede, spaarzaam ; by — nieal. bij stukjes en brokjes, stuk voor stukto — (out) by duimen meten, karig toene-

■ n,:n ; -• v' "• langzaan» vorderen (wijken). ■iicb»Ntity (tntgarafiti), s. onkuisuhheid. liiclioat e (ivkoueit), a.; —ely. ud. aangevangen; —ion. s. begin, aanvang; —ive. (mkouativ), a. aanvangend.

lticldeu ee (insidant), s. toeval, invaWvan deeene lyn op de andere): nngle «| _Ce, hoek van inval; —t. a. toevallig, bijkomend, eigen, (to); such di»ea«eM are —t to bot « linie«. zulke ziekten zyn eigen aan de heete luchtstreek; panlou» —t to hniiian nature, nartstochten eigen aan de menschelijke natuur; —t, s. voorval, bijkomend geval;—tal. tally. ad. toevallig bijkomend.

■ iieiiiera te (inrtnarcit), v. a. tot asch ver

branden; -tion (intinai et*'n),s. verbranding tot asch.

Ineipient (imtpjant), a. beginnend: tlie — •tage of a lever, het eerste stadium vai> baard °l tS' ~~ beapd, een begin van

Incis e (intaiz), v. a. insnyden; —lonJinttin) —ure. s. insnyding, snede; —ive. —orv' (iwatzw), a. insnydend ; -or, (buolza), s. snytand (= incinive tooth;.

(i"*attant), s. prikkel, opwekkend

üliblli- —*"»«•■»t, s. aansporing,

prikkeling, ophitsing; —e. v. a. aansporen, prikkelen, ophitsen; —er, s. aanspoorder ophitser. *

Inclr illty (iiuivttUi), s. onbeleefdheid; —

i.m, *. gebrek aan burgerzin.

Inclv,,,,,, cy fintc/emmri), s. onbarmhartig, beid, guurheid; —t. a. onbarmhartig, guur

(—t HMoa, WPfltlier|.

""fl'ii »<•'* *. geneigd, gezind

(to); -«(ion [inkhnrU-n), », neiging, lust, genegenheid, belling, afwgking (van de Inag. neetnaald); -ntory. a. — atorily, ad. [inklinrtan), overhellend ; —e, v a neigen geneigd maken Ito); v. n. overhellen', geneigd ztfn (to); to be — cd to ent. trek hebben; an -ld plnne. een hellend vlak (werk. —"■ hellende zonnewijzer over-

hellende naar het Zuiden.

Indo. e linklouz), v. n. -ure, zie Kn.

elon e, —are.

Int-lond {inklmid), v. a. omwolken, tenliilsteren.

Iiielu de (inklUd), v. a. insluiten, in zich begrepen; the eo*t« —(led. met inbegrip der koMten : — —ding charge* or conti; — «ion

(mkl&é n), s. insluiting; — «ive, a. — «ively. ad. insluitend, ingesloten, daaronder begrepen (of). s Ineoagiilable (inkotrgjuhb'l), a.niet stolbaar.

Sluiten