Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INC. — INC.

Incoerclble (inkonósib'f), a. onbedwingbaar.

Incog., Incognito, onbekend(heid), (voor een man); incognito (voor eene vrouw).

Incohereii ce (inkouliiran*), —cy. s. gebrek aan samenhang; ad. onsamenhangend,

zonder verband.

liicoiiibu»ti ble (ink9mbn»tib'l), a. onbrandbaar; — bility, —bleue»», b. onbrandbaarbeid.

Inconte (inlc9m), ». inkomsten ; —tax. inkomsten belastinir ; —r. nieuwe bewoner.

Incomiiieiiwiira ble (internen s»r9b' l), —te. a. onderlimr onmeetbaar; —bility, s. onderlinge onmeetbaarheid.

Iiicoiiiinotl e (inkjmoud), v. a. lastig vallei», hinderen ; —iou». a. —ion»ly, ad. lastig, ongemakkelijk; -ioiiane»!, s. lastigheid, ongemakkelijk iieid.

Iiicoiiiiiniiticn ble {infomjiinikabk'l), a. — bly, ad. onmededeelbaar; —bility, s. onluededeelbaarheid ; —tlve.a. achterhoudend.

I n co in in ii tn ble {inkamjittah' l), a. onveranderlijk ; —bility. s. onveranderlijkheid.

lncompara ble (inkitmpgrab'I) a. —bly, ad. onvergelijkelijk ; —bleue»», s. onvergelijkelijkheid.

liiconi|»n»«ioiinte (inlompirianet), a. — ly. ad. onmeèdoogend ; —ueiN. s. onmeêdoogendbeid.

Iiieompati ble [inktniparlib'l), a. —bly, ad. onbestaanbaar (witlijs —bility (Inkiui-pcBtibtliti), s. onbestaanbaarheid.

Incoinpcteii ee (inkttmpitenu), — cy. s. onbevoegdheid; the —cy of a witnc»» (ol tewtiiiiony), het niet-toereikende van een getuige (van getuigenis);—t,a. —tly. ad. onbevoegd (to).

Incomplete finkawpiit), a. — ly, ad. onvolledig, onvolkomen; —ness, r. onvolledigheid, onvolkomenheid.

Incompliaii cc^ {inkjmp/atan*), s. oninschikkeiykheid; —t, a. oninschikkelijk (witli).

Iiicoinprehen»! ble livkonivrihetwib'l), a. -bly. ad. onbegrijpelijk; —bility, —bleiies», ». onbegrijpelijkheid ; —on, s. onbevattelijkheid; —ve.a. onbevattelijk, beperkt.

Iiicomprensl ble linksntp etih'l), a.onsamendrukbaar; —bility (inkonipi'euibtliti), s. onsamendrukbaarheid.

Incoiicealable (inksnsifob't), a. onverbergbaar.

Inconcc ivo ble (intensiv'bf), a. —bly. ad. onbegrijpelijk; — blenes», s. onbegrijpelijkheid.

Incoiirliinive (ink»nkIAsiv), a. — ly, ad. niets bewjj/.endt niet. beslissend, onardoend; —iie»», 8. gemis aan bondigheid, onbeslissendheid.

Incoiiciirring (inkjnkAri)tf, a. niet overeenstemmend.

Incondeiisable (inkanrJenrib'l). a. onverdikbaar.

Incoiiroriii able (inkanUl^mab'l), a. ongelijkvormig; —Ity. s. ongelijkvormigheid.

liicniigenlalftwAvNr/ftM^/l.a. ongelijksoortig.

Iiicongrii ence {inktttytrujiH), —%ty(inkohgrit Ui), s. ongepastheid, gebrek aan over.

eenstemming; —ent. —011». a. -ouily. ad. niet passend, niet strookend, ongerijmd (wlth).

Iiicoii»eqiien ce (inkonsiku'Jtts), r. valsche gevolgtrekking, ongerijmdheid; —t, a. niet volgend, zich niet gelijkblijvend; —tlal (inkonfikvcenisJ), a. zonder gevolg, onbelangrijk.

Iiicon»i«lera ble {inten*id*r9b'l), a. onbelangrijk, gering; —bleue»», s. onbelangrijkheid; —tely, ad. achteloos, onbedachtzaam (of); lie I» —te of lii» own interent», hij

denkt niet aan zijn eigen belangen; —tene»*. — tiOII, r. achteloosheid, onbedachtzaamheid.

lncon»i»ten ce (inkanfUtsv*), —cy. s. onbestaanbaarheid, inconsequentie; —t, a. —tly. ad. onbestaanbaar, in tegenspraak (wltbi; ongerijmd.

IncoiiKola ble (inkansottlab'l), a. —bly, ad. ontroostbaar.

Incoiiwonaii cc [inkow>9n9V*), —cy, s. wanklank, tegenstrijdigheid; —t, a. wanluidend, tegenstrijdig.

Iiiconapictiou» (inkonsptkjues), a. onmerkbaar. onaanzienlijk.

Iiicoii»tan cy linkomt9nsi), s. onstandvastigheid; —t, a. ad. onstandvastig, onbestendig.

Iiicoii»iiinable (intens&m9b' l), a. onverteerbaar.

liicoiiHuniinate lintewnmit), a. onvoltooid.

lncoiite»ta ble (inkantestebl), a.; —bly, ad. onbetwistbaar.

Incontigiaou» (ink91tgjU9$), a. niet aangrenzend, niet belendend.

Iiicontiiieii ce [inhtmfiu9nft)\ —cy. s. oningetogentieid, onkuischlieid ; —t. a. —tly, ad. on ingetogen, onkuisch.

Incontrollable (inkontrouleb'l), onbedwingbaar.

Incontroverti ble (hi7contr9vAtib'l), a.; — bly, ad. onbetwistbaar.

Iitcoitvenien ce (intenvinjsn*),*. ongelegenheid, hinder; I liope I don't put you t«» any —ce, ik hoop, dat ik u niet lastig val (stoor); —ce, v. a. lastig vallen, ongelegenheid veroorzaken ; —t, a. —tly, ad. ongelegen, lastig.

Inconvernable (intenvAsib' l), a. ongezellig.

Ineonvertible \intenvütib'/), a. onveranderlijk, onverwisselbaar.

Inconviiici ble (intenvtnsib'l), a.; —bly. ad. onovertuigbnar.

Incorpor ate (inkó»p;reit), a. ingelijfd, verbonden ; —ate, v. a. & n. (zich) inlijven, verbinden, vereenigen (tot £én lichaam); — atloi» (inköjp9relé'n), s. inlijving, vereeniging, vennootschap; —eal.a.—eallyad. (inkoptiarif/), onlichamelijk, onstoffelijk ; —eity (inkÓ9p r\9tï)% r. onlichamelijkheid, onstoffelijkheid.

Incorrect (inkorekt), a.; — ly, ad. ounauwkeurig, onjuist; —ne»». s. onnauwkeurigheid, onjuistheid.

Incorrlgl ble (inkoridzib'l), a.; —bly. ad. onverbeterlijk; —blene»», s. on verbeterlij Uheid.

Sluiten