Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Infranglble (infrttndiWl), a. onschendbaar. Infrequeu c© (infriktoina), —ey, s. zeldzaamheid ; —t, a. zeldzaam.

Infrlgida te (infridiideit), —«Ion, s. Terkoei in?.

InfHiig© (infrindi), v. a. schenden, overtreden ; —ment s. schennis, overtreding; —r, s. schender, overtreder.

Infurlate (infiürieit), a. woedend, razend;

v. a. woedend (razend) maken.

Infuse (infj&z), v. a. ingieten, laten trekken. Inprenten, inboezemen (info); —er, s. inprenter.inboezemer; — Iblllty (infjüzabiliti), s. onsmeltbaarheid; — ible. a. ingietbaar, onsmeltbaar; —Ion (infjitin), s. ingieting, doortrekking, aftreksel, inboezeming; —lve, a. instortend, inwerkend.

Ingate (in geit), s. ingang, opening van een vorin, waarin gesmolten metaal gegoten wordt. IngntheriMg (ingtrt/ierin.), s. inzameling. Ingenious (indiinjj*), n. — ly, ad. geestig, vernuftig, vindingrijk; —ness,», geestigheid.' vernuftigheid.

Ineen uity (ind£dnj*iti), s. vernuftigheid, bekwaamheid, genie; — uity ofdiscoursv, geestig gesprek; -uoui (indienjuas), a. — uoualy, openhartig, ongeveinsd, rechtschapen: -noui ardour, edele vervoering ; — uousness, s. openhartigheid, ongeveinsdheid, naïveteit.

Incest {indSest), v. a. Inslikken; —ion

(indientjsn), a. inslikking; —s. voedsel. Inglorious (ingtóari»*), a. —ly, ad. roemloos, achandel(jk; —ness, s. roemloosheid, schandelijkheid.

Ingot s. baar, staaf (goud,zilver enz.).

Ingraft (ingraft), v. a. inenten, inprenten

(In, on); —ment, s. enting, ent.

Ingraln (ingrein), v. a. in de wol verven;

—*d, in de wol geverfd, diep ingeworteld! Ingrat e (ingrett), a. ondankbaar; —iatc (ingretiieit), v. a. in gunst brengen (to); — one's self with, zich indringen, zicli bemind maken by ; — Itude (ingrmtitjüd), s. ondankbaarheid.

Ingredlent (ingridjdnt), s. bestanddeel. Ingress (tr\gr»8), —ion (ingrei'n), s. ingang, toegang.

Inguinal (tngtcinsl), —hernia, liesbreuk. Ingnlf (ingotf j, v. a. verzwelgen, in een* afgrond storten.

Ingnrgita te (ingüdziteit), v. a. inzwelgen ; v. n. zwelgen, zuipen; —tion, s. inzwelging', zwelgery.

Inhabit (inhmbit), v. a. bewonen, v. n. wonen; —able, a. bewoonbaar; —ance, — ancy, s! woonplaats, woning; —ant, —er, s. bewoner, inwoner; —ation, s. woning, bewoning, bevolking.

Inhale (inheit), v. a. inademen.

Inhantioni e (inh&monik), —cal, —ous >

(inhdmottnj9s), a. onwelluidend.

Inher e (inhia), v. n. inkleven, aanhangen; | —ence, — eney, s. inwoning, aankleving; I —ent, a. — ently, ad. aanklevend, onaf- 1 scheidelijk; (in) aangeboren; (to) inwonend;

INF. - INL.

that's —ent iu the blood, dat zit in liet bloed.

Inherit (inherit), v. a. erven; —able, a.

erfelijk ; —ance, s. erfenis, erfgoed; —or, _ "Tf®*** rp,*« »• erfgenaam, erfgename. Inhibit (inhibit), v. a. verhinderen, verbieden;

—ion (inhibii'n), s. verhindering, verbod. Inhospita ble (inho*pit»bl), a. —bly,ad.onherbergzaam ; — bieness,— iity (inhospitteliti), s. onherbergzaamheid.

Iiihuin au [injikmgn), a. —anly, ad. onmenscheiyk, barbaarsch; —anlty (injumttniti). ê. onmenscheiykheid ; —ate, —e, v. a. begraven; —ation (injumeWnj, s. begraving. Ininiical (intmik'l), a. —ly, ad. vijandelijk.

strydig (to).

Inimita ble (inimitdbl), a. —bly, ad. onnavolgbaar; — bility (inimitabiliti), s. onnavolgbaarheid.

Inlquit ous (intkwit»$), a. onrechtvaardig, snood; —y, s. onrechtvaardigheid, snoodheid. Iuitia I (intisl), a. beginnend, aanvaugend; —, s. hoofd-, voorletter (=■ —1 letter); the —I symptoms of a disease, de eerste verschijnselen van een ziekte; —te, a. beginnend, onbedreven; —te, v. a. onderwijzento —te a pupil into every part of learnl Ing, een leerling onderrichten in alle takken van wetenschap; Inwijden (Into) (b. v. to —te Into secrets, mysteries), v. n. beginnen; —tion (iniiieié'n), s. inwijding, eerste onderricht; —tory (iniëistari), a. inleidend, s. inleiding.

Inject (indzekt), v. a. inwerpen, inspuiten;

— ion, s. inwerping, inspuiting.

InJolii [indéoin), v. a. zie Enjoin. Iiijudicable (indzüdiksb'l), a. niet ontvan-

keiyk (in rechten).

Injudlcl al (iiulzudtëil), a. onrechtsgeldig ; —ous, a. —ously, ad. onoordeelkundig, ondoordacht; — ousness,s. onoordeelkundigheid.

Injunction (indzn^ké'n), s. bevel, voorschrift. Injur e lindéa), v. a. onrecht doen, kwetsen, benadeelen; —er, s. benadeeler; —ious, a. —lously, ad. (indzürigs), beleedigend, nadeelig (to); — lousness, s. (het) kwetsende, krenkende; —y, s. onrecht, hoon, letsel, schade.

Injustice (indioatif), s. onrechtvaardigheid. Ink (ijjAr), s. inkt; ludian —, Oost-Indische inkt; printer's (printtng) —, drukinkt; marking—, merkinkt (op linnengoed); writIng—,schryflnkt; —blot, inktvlek; — bottle, inktkruik; —box, —horn. inktkoker; — case, schryfdoos; —flsh, inktvisch; —pot, inktpot; —stand, inktkoker, schrijf kistje; —stone, inktsteen; —, v. a. met inkt bemorsen; —Iness, s. inktachtigheid. zwartheid; —y, a. ink tachtig.

Inkle [tuk'l), s. grof garen, grof lint.

Inkling (in,klin,), s. wenk, bedekte kennisgeving, verhingen, neiging; he lind no — of it, hy wist er niets van af.

Inland '(inland), a. binnenlandsch; — products, couiuiodities, binnenlandsche wa-

Sluiten