Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IRE. — IKK.

gend; —billty, —bleueaa, s. oploopendheid. Ire (uw),», toorn,gramschap ; — ful,a.—fully,

ad. toornig», verbolgen, tri* tairi*), pl. iritlea iatriili:), s.regenboog,

zwaardlelie, ring om den oogappel.

Irk [vk), v. a. ergeren, verdrieten; —aotue, a. —«ootely, ad. ergerlijk, hinderlijk; — aoineueae, s. ergerlijkheid, hinderlijkheid. Iroi» | alJii), s. ij/.er, strykijzer; liar—, staafver, «a«t —, gi et ijzer; «uioothiug —, pletijzer; «lieet—, plaatijzer; wliite—, blik; wrouglit —, geslagen ijzer; —bar, ijzeren Btaal'; — liouml, met jjzeien handen; — clieat, ijzeren geldkist; — tlad. met ijzer beslagen, pantserschip; -crow, breekijzer; — dro«a, slakken, ijzerschum ; —fouiidrry, ijzergieterij : —draad maat; —glimmer, ijzerglimmer ; —glue. steen lijm ; —Rrey, iizerkleurig; —liearted, hardvochtig; — fi<|uor, opgelost ijzerroest; —inlll.ijzerhut; — nioii» ger, ijzerkooper; —oioiild, ijzersmet; — ore, ijzererts; —plu, nplectveer; — plnte. plaatijzer, hl ik; —rod.rondy/.er;—aafe.brandkast; — aide, geharde strijder (v. Croiuweli); —«•ave, staallj/.er; —ware, (izerwaren; — wlre, ijzerdraad; —work, ijzerwerk; — woi-ka, ijzergieterij, ijzernut, ijzersmelterij; —wart, ijzer», glidkruid; —, a. ijzeren, the — age, het ijzeren tydpeik; au iach of ci»ld —, een dolk» of messteek; etrike the — wliile it I» hat, smeed het ijzer, als liet heet is; to put a man lo —«, een man In de boefen slaan ; lie had many —a iu tlie lire,hij had vele pijlen op /.yn boog, velerlei werk tegelijk onder handen; the — ha« eutered iiito hi« soul. zijn geest Ih gebroken; —, v. a. strijken, boeien, met. ijzer beslaan ; —i, pl, boeien; —y, a. ijzerachtig, ijzeren.

Irou ical (aironi/sl), a. —Ically.ad.ironisch, spottend; —y, s. ironie, spotternij.

Irradia nee itreldhnx), —ney, s. uitstraling, glans; —te, a bestraald, prijkend (wltl»). —te, v. a. bestralen, versieren, v. n. stralen; —tioo, s. straling, bestraling, verlichting.

Irratiaual [ivirïnl), a. —ly, ad. onredelijk, onverstandig; — ity, s. onredelijkheid, onverstand.

Irreclaima ble (irikfetmtb'l), a. — bly, ad.

onherroepelijk. 011 herstel haar.

Irreroiicil able [irek^isai'gbl), a. — ably, ad. onverzoenlijk, onvereenigbaar (to. witli); —ahleneas, s. onverzoenlijkheid, ouvereenigbaarheid; —ed, a. onverzoend; — iatiou (irekintHeii'h), «. niet-verzoening.

Irreeovera ble (tr^knoarvbf), a. —bly, ad. niet te herkrijgen, onherstelbaar;—bleueaa, s. onherstelbaarheid.

Irreeuwable drek üz'bl), a. ontegenzeglijk.

Irredeeiouble (iridim'blJ, a. —bly, ad. onaflosbaar, niet vrij te koopen.

Irreducible (iridjüstbl), a. onherleidbaar, onherstelbaar.

IrrefYaga ble {irefng^bl), a. —bly, ad. onwraakbaar, onomstootelijk; —bil ity, —bleneaa,s. onwraakbaarheid, onoiustooteiy kheid.

! lrrefuta ble (irifj+tsbl), a. —bly, ad. onwe-

j derleghaar; —bleueaa, s. on wederlegbaarheid.

i Irregolar (irep/nf»), a. —ly, ad. onregelmatig, ongeregeld ; —ity [t> epjulatriti), a. onregelmatigheid, ongeregeldheid.

Irrelatlve (irelstiv), a. —ly, ad. onbetrekkelijk, ar/onderlijk.

Irielevau cy (irehvann), 8. ontoepasseiykheid ; — t,a.—tly.ad.ontoepasselijk,ondienstig.

Irrelievable ft» i/io'bf), a. niet te helpen.

Irreligi on (iiult<l£n), s. ongodsdienstigheid ; —oua, a. —ouwly, ad. ongodsdienstig.

lrreaiedia ble (irimidjgbt), a. —bly. nd. onherstelbaar ; —bleueaa, s. onherstelbaarheid.

IrreaiiMNi ble irimifob!), a. —bly, ad. onvergeeflijk ; —bleiie««, h. onvergeeliykheld.

Irreiiiovable (irimuo'bl), a. onverplaatsbaar, onwrikbaar.

Irreamaerable (irimjAnarabl), a. onbeloonbaar, onvergeldelijk.

Irrcpara ble (irep»r»bl), a. —bly, ad. onherstelbaar; — billty, — bicnes*, s. onherstelbaarheid.

Irrepeala ble (iripif^bl), a. —bly, ad. onherroepelijk; —billty, — bleueaa, s. onherroepeliiklield.

Irrepleviable, (iriplevj»bl), a. uiet los te koopen.

Irreprehenai ble {irirrihentibl), a. —bly. ad. onberispelijk ; —bleueaa, s. onberispelijkheid.

Irrepreaalble (iripreribl), a. niet te onderdrukken.

Irrrproacha ble (irr<pj,o«^j6/),a.-bly,ad. onberispelijk ; —bleueaa.s. onberispelyklieid.

Irreprovable liript ttr,b/)% a. onberispelijk; —i»e»a. s. onberispelyklieid.

Irreptifioua (iraptii'*), a. ingeslopen.

Irreaiati ble (ii'izixfsb/), tx,—bly. ad. onweerstaanbaar; —bility, s. onweerstaanbaarheid.

Irreaolu ble (ireza/jüb'f), n. onoplosbaar; —bleueaa, s. onoplosbaarheid; —te, a. — tely, ad. besluiteloos; —teueaa, — tlou, s. besluiteloosheid.

Irreapective (iratpektiv), a.; —ly, ad. onat'liankeluk, zonder aanzien van; — ofperaona, zonder aanzien des persoons.

Irreapouai ble (irgKpOHSib'l), a. onverantwoordeiyk; —bility (iraeponnblliti), s. onverai. t woord eiyk beid.

lrreteutive (iritentiv), a. zwak (van geheugen).

Irretrieva ble [iritriv'bl), a. —bly, ad. onherstelbaar; —bleueaa, s. onherstelbaarheid.

Irreveren ce (irev*r»ns)t s. oneerbiedigheid;

„ -t. a —tly, ad. oneerbiedig.

Irreveral ble (iricósib'l), a. —bly, ad. niet te veranderen, onherroepeiyk ; — bleueaa, u. onherroepelijkheid.

Irrevoca ble (ireo*kabl), a. —bly, ad. onherroepeluk ; —bility, —bleueaa, s. onherroepelijkheid.

Irriga te iirineit), v. a. besproeien, bevochtigen; —tlou b. besproeiing.

Irrita ble (triteb'l), a. prikkelbaar, llchtge-

Sluiten